FTP Kennisbrief, FTP Kennisbrief
Miljoenennota 2021
 
Onderwerpen in dit nummer:
 

Woningmarktnieuws

 

CBS/Kadaster: woningmarkt

Gegevens woningmarkt januari 2020:

- prijzen bestaande koopwoningen: +6,3% j-o-j

- prijsindex (2015=100): 136,9 (januari 2019: 128,8)

- gemiddelde verkoopprijs: €329.450 (januari 2019: €302.157)

- verkochte woningen: 17.525 (januari 2019: 15.125)

 

CBS/Kadaster: woningprijzen 2019

In 2019 was de gemiddelde koopsom voor een woning in Nederland €308.000.

- In Bloemendaal betaalde je €832.000, in Delfzijl €155.000.

- In 326 gemeenten steeg de gemiddelde koopsom j-o-j.

- In 80% van de gemeenten was de gemiddelde koopsom €230.000 tot €400.000.

- In de provincie Noord-Holland betaal je het meest, in de provincie Groningen het minst.

- In de duurste gemeente was de koopsom ruim €675.000 hoger dan in de goedkoopste gemeente.

 

Rabobank Woningmarkt Q-bericht

In heel 2019 zijn iets meer huizen verkocht dan in 2018 en stegen de huizenprijzen met 7%. Het aanbod blijft krap, het aantal huishoudens groeit en de lage hypotheekrente leidt tot extra biedkracht. Het aanbod daalt verder, waardoor er steeds minder valt te kiezen en wat in de 1ste helft van 2019 leidde tot dalende verkopen terwijl die in de 2de helft juist weer stegen. In Q4-2019 lag het aantal verkopen zelfs 5,6% hoger j-o-j: 60.000 transacties

- In 2019 zijn 218.595 bestaande koopwoningen verkocht, vrijwel gelijk aan 2018.

- Volgens het CBS zijn er in 2019 71.000 huizen bijgebouwd (2018: 67.000).

- Volgens het CBS / Kadaster waren bestaande huizen in Q4-2019 gemiddeld 6,2% duurder j-o-j

- Woningprijzen in heel 2019 stegen met 6,9% j-o-j

- De gemiddelde verkoopprijs steeg met €21.000 tot ruim €308.000

- Het verschil tussen de goedkoopste en de duurste provincie steeg tot gemiddeld €180.000 (Noord-Holland is gemiddeld €400.000; Groningen is gemiddeld €220.000)

- Factoren voor opwaartse prijsdruk: lage hypotheekrentes, stikstof en gebrek aan bouwlocaties)

- In 2020 worden woningen gemiddeld 5,5% duurder

- In 2021 worden woningen gemiddeld 2,5% duurder

- In 2020 zijn er 210.000 transacties bestaande koopwoningen

- In 2021 zijn er 200.000 transacties bestaande koopwoningen

- Er is een woningtekort van 315.000 huizen; dit tekort stijgt de komende jaren

- Nu de kapitaalmarktrentes weer dalen, blijven de hypotheekrentes komende tijd laag

- Vanwege de verwachte verdere renteverlaging door de ECB daalt de hypotheekrente in 2020 nog verder

- De cao-lonen zijn in 2019 met gemiddeld 2,6% gestegen

- De meeste (potentiŽle) huizenkopers kunnen in 2020 meer lenen en dus meer bieden

- Ook in 2021 stijgt het inkomen en dus de leencapaciteit

- De werkloosheid loopt de komende jaren licht op

- Het consumentenvertrouwen is al enige tijd onder nul

- Beleidswijzigingen kunnen leiden tot onzekerheid onder beleggers over het rendement: mogelijk vraaguitval en terugtrekking uit woningvastgoed (te koop zetten)

RaboResearch, Woningmarkt Q4-2019

 

A'dam bouwt huur

Amsterdam wil tot 2025 in 10.000 huurwoningen bouwen voor middeninkomens (€39.000 - €62.000 p.j.) met huurprijzen van €740 tot €1.050 p.m. Voor nieuwe middenhuurwoningen mogen beleggers jaarlijks een huurverhoging van inflatie + 1% rekenen.

 

A’dam draait boetes vakantieverhuur terug

Amsterdam draait bijna €4 ton aan boetes voor illegale vakantieverhuur terug na een uitspraak van de Raad van State. Het gaat om boetes die zijn uitgeschreven omdat overtreders niet bij de gemeente hadden gemeld dat ze hun huis hadden verhuurd aan toeristen. Eventuele boetes voor het illegaal verhuren van de woningen zelf blijven staan. Bovendien schrapt de gemeente alleen de boetes die nog in een juridisch traject zitten. De boetes waartegen geen bezwaar meer kan worden aangetekend, blijven gehandhaafd.

De Raad van State oordeelde in januari dat de Amsterdamse meldplicht bij toeristenverhuur onrechtmatig is. Volgens de lokale regels hebben mensen een vergunning nodig om hun huis aan toeristen te verhuren. Als uitzondering hierop mochten bepaalde verhuurders hun huis ook verhuren als zij dit simpelweg zouden melden aan de gemeente. Maar dit soort uitzonderingen zijn niet toegestaan, omdat dit in strijd is met de Huisvestingswet.

 

Aanpak woningtekort

Minister Van Veldhoven (BZK) over de aanpak van het woningtekort. Het tekort aan woningen is met 3,2% historisch groot. ... in 2019 is de hoogste nieuwbouwproductie van het afgelopen decennium behaald. Tegelijkertijd laten nieuwe cijfers van het CBS zien dat de bevolking sneller toeneemt dan verwacht, en dat dit de komende jaren aanhoudt. Daar komt bij dat het aantal verleende vergunningen voor woningbouw, mede door de stikstofcrisis, is afgenomen. Het EIB verwacht in 2020 en 2021 een afname van de woningproductie met zo’n 5%.

... De Staat van de corporatiesector toont aan dat de corporaties de afgelopen jaren gemiddeld 60% van de voorgenomen nieuwbouwproductie realiseren. Om het tekort aan sociale huurwoningen in te lopen, moet ook bij corporaties de woningbouwprogrammering omhoog. Gemeenten moeten voldoende locaties beschikbaar stellen, zorgen voor snelle vergunningverlening en oppassen met het stapelen van maatschappelijke opgaven richting corporaties.

... Tegelijkertijd tonen demografische prognoses aan dat in de komende decennia het aantal huishoudens in Nederland met 800.000 huishoudens zal groeien. Deze stijging is voornamelijk toe te schrijven aan het groeiende aantal eenpersoonshuishoudens.

In de woondeals hebben partijen gezamenlijk locaties aangewezen die een substantiŽle bijdragen leveren aan de bouwopgave. Daarbij gaat het zowel om de versnelling op de korte termijn, als om grotere gebiedsontwikkelingen voor de langere termijn. Het betreft zowel binnenstedelijke verdichtingslocaties als transformatielocaties en uitleglocaties. Sommige locaties vallen zowel onder de versnellingslocaties als onder de gebiedsontwikkelingen.

Kamerbrief over versnellen aanpak woningtekort, 13 pagina's

 

Langdurige woningleegstand

Tussen 2016 en 2019 stond 1% van het totaal aantal woningen in Nederland leeg. Het percentage leegstaande woningen was het grootst bij huurwoningen die niet van woningcorporaties zijn. Dit blijkt uit onderzoek van het CBS.

Op 01-01-2019 stonden 91.500 woningen administratief leeg, waarvan 1/3 langdurig. Het gaat om woonruimten met een eigen toegang vanaf de openbare weg, incl. studentenhuizen.

Het percentage leegstaande woningen veranderde niet tussen 2016 en 2019: 1%. In die periode was de absolute leegstand het hoogst in 2017, met ca. 100.000 woningen. Het aantal woningen dat jaarlijks bij de woningvoorraad kwam door nieuwbouw en woningtransformaties was steeds hoger dan het aantal woningen dat langdurig leegstond. In 2018 waren er 13.000 toevoegingen door transformaties, en bijna 67.000 toevoegingen door nieuwbouw. Bij 20% van de gemeenten lag het percentage administratieve woningleegstand in 2019 boven de 1%. Het percentage woningen dat langdurig leegstond was in 2/3 van de gemeenten 0%.

In 2019 hadden 33 van de 40 gemeenten in krimpregio’s een langdurige leegstand van 1% of hoger. In de overige regio’s was dat bij 1/4 van de gemeenten. In 2/5 van de gemeenten met minder dan 30.000 inwoners stond 1% of meer van de woningen langdurig leeg. In de 100.000-plus gemeenten was dit minder vaak het geval: 1 op 5. Onder deze grote gemeenten met relatief veel langdurige leegstand vallen de Big3: Amsterdam, Rotterdam en Den Haag.

Of een woning leegstaat wordt bepaald o.b.v. registraties van gebouwen en personen. Om te controleren of deze woningen daadwerkelijk leegstaan, wordt gekeken of er in het voorafgaande jaar energie is verbruikt. Dit gebeurt alleen bij woningen die een jaar voor het peilmoment ook al leegstonden.

Recreatiewoningen worden uitgesloten van de onderzoekspopulatie. Op het peilmoment 01-01-2019 is hierdoor bijv. voor 1,4% van de woningvoorraad (110.000 woningen) de leegstand niet bepaald.

 

Woningtekort 315.000

Het woningtekort van 315.000 woningen (4% van de woningvoorraad) neemt toe tot 380.000 in 2022. Bouwers en ontwikkelaars kunnen per jaar 100.000 woningen realiseren. Daarvoor is er voldoende kapitaal. Beleggers hebben de komende 3 jaar €26 mld beschikbaar voor nieuwe huurwoningen. Corporaties willen in 2020 ca. 30.000 nieuwe woningen realiseren. Dit blijkt uit onderzoek van Capital Value i.s.m ABF Research.

In 2019:

- werden 77.000 nieuwe woningen opgeleverd,

- liep het woningtekort op tot 315.000 woningen,

- steeg het aantal inwoners met 132.000,

- steeg het aantal huishoudens met 90.000,

- werden 55.000 bouwvergunningen afgegeven.

De planvoorraad biedt ruimte voor 800.000 woningen in de komende 10 jaar. Volgens Capital Value kan er voor 100.000 huurwoningen per jaar een bouwvergunning afgegeven worden, mits de stikstofproblematiek wordt opgelost en procedures worden versneld.

De doorstroming stokt omdat er geen geschikte woonruimte is voor ouderen. In de komende 10 jaar komen er 350.000 huishoudens bij van 74 tot 84 jaar. Daarvan hebben 83.000 in de komende 5 jaar een aangepaste woning nodig vanwege mobiliteitsbeperkingen. Ouderen willen wel verhuizen, maar kunnen geen geschikte woning vinden. Dit geldt voor circa 20% van de 65-plus huishoudens.

Corporaties en beleggers willen zorg- en seniorenwoningen bouwen. In 2019 werd een recordbedrag van €1,25 mld in zorg- en seniorenwoningen en zorgvastgoed belegd. Voor de komende 3 jaar hebben beleggers minimaal €3,4 mld beschikbaar voor investeringen in zorgvastgoed en ook corporaties willen hier meer in investeren.

Voor starters (koop) moeten de komende 5 jaar 114.000 koopwoningen worden bijgebouwd. Om deze woningen betaalbaar te maken moeten er subsidies komen voor mensen met een leencapaciteit tot €250.000.

Woningcorporaties verduurzamen de sociale huurvoorraad, ondanks de oplopende belastingdruk. Binnen 2 jaar heeft de helft van het DAEB-bezit van corporaties minimaal een label B. Maar het aantal nieuwbouwwoningen blijft fors achter. In 2019 bouwden corporaties 19.500 nieuwe woningen (planning: 26.000). In 2019 werden slechts 10.000 bouwvergunningen verstrekt aan corporaties (ambitie: 30.000 nieuwe sociale huurwoningen). Als reden voor het niet kunnen realiseren van nieuwbouwplannen geeft 2/3 van de corporaties aan dat er onvoldoende grondposities zijn, 1/3 geeft aan dat er onvoldoende medewerking is voor het verlenen van vergunningen.

Slechts 7% van de corporaties heeft onvoldoende kapitaal voor nieuwbouw. Corporaties zouden in de komende jaren 133.000 nieuwe sociale huurwoningen moeten bijbouwen om de lage- en middeninkomens te huisvesten en de doorstroming te bevorderen. Ontwikkelaars kunnen hierbij helpen aangezien 20% van de opdrachtenportefeuille voor 2020 uit sociale huurwoningen bestaat. Daarnaast geeft 60% van de buitenlandse pensioenfondsen aan in sociale huurwoningen te willen investeren.

De Nederlandse woningmarkt bestaat uit 7,8 miljoen woningen waarvan slechts 6% middeldure huur. Het tekort in deze prijsklasse huurwoningen is minimaal 35.000.

Internationale investeerders beleggen steeds meer in Nederlandse huurwoningen. In 2019 was dit €4,2 mld ofwel 46% van het totale transactievolume (2018: 35%).

 

CBS: Nieuwbouw

In 2019:

- werden 57.000 woningnieuwbouw vergunningen afgegeven: 18% minder dan in 2018.

- daalde de totaal vergunde bouwsom voor woningen en bedrijfsgebouwen met 8% j-o-j.

- steeg de omzet van de bouwsector met ruim 7% j-o-j.

Gebruikelijk zijn er 70.000 - 80.000 woningnieuwbouwvergunningen per jaar. De gemiddelde doorlooptijd vanaf vergunningverlening is 2 jaar. Vergunningen voor woningtransformaties (van niet-woningen naar woningen) zijn niet opgenomen. Het aantal faillissementen in de bouw stijgt al 6 kwartalen op rij. In 2019 zijn 490 faillissementen uitgesproken in de bouw: +15% t.o.v. 2018.

 

Achterstandswijken in Nederland

Er dreigen achterstandswijken in Nederland te komen, concludeert Aedes. De leefbaarheid in buurten met veel corporatiewoningen gaat harder achteruit dan verwacht. Mensen voelen zich onveiliger, de overlast wordt heftiger en de oplossingen worden complexer. Zwakke buurten zijn de laatste jaren nog zwakker geworden.

De problemen in de kwetsbare wijken nemen verder toe. De instroom van mensen met een laag inkomen in wijken met corporatiewoningen blijft groeien en huurders met een hoger inkomen verlaten steeds vaker de wijken. De concentratie van mensen die vaker hulp en ondersteuning nodig hebben, is daardoor nůg groter dan verwacht. Het aantal kwetsbare groepen (bewoners met een grote afstand tot de arbeidsmarkt, met een licht verstandelijke beperking of met psychiatrische problemen) neemt fors toe. Steeds meer mensen met uiteenlopende sociale problemen wonen samen in dezelfde wijk. Dit vraagt om een integrale aanpak. Corporaties:

- zien dat veel kwetsbare mensen te vaak in dezelfde wijk komen wonen.

- willen dat gemeenten meer sturen op spreiding en geconcentreerde plaatsingen voorkomen.

- willen dat de overheid de markttoets afschaft zodat corporaties ook woningen met een middenhuur kunnen bouwen in wijken waar nu te veel sociale huurwoningen staan.

- willen dat kwetsbare huurders de zorg en begeleiding krijgen die ze nodig hebben.

- willen een goede samenwerking tussen gemeenten, corporaties en zorg- en welzijnsorganisaties.

Aedes, Veerkracht in het corporatiebezit. De update: een jaar later, twee jaar verder…

 

Verduurzaming woningen duurder

Huiseigenaren en woningcorporaties zijn meer geld kwijt dan verwacht aan het verduurzamen van woningen, zo meldt AD. Het Planbureau voor de Leefomgeving, PBL (de belangrijkste adviseur van het kabinet voor milieu, natuur en ruimte) erkent dat die geraamde kosten te laag zijn. Het PBL berekende vorig jaar de kosten van het Klimaatakkoord, o.a. die voor het verduurzamen van woningen. Het PBL berekende dat woningcorporaties honderden miljoenen kwijt zijn aan isolatie en gasvrij maken van huizen. Nu blijkt dat er kostenposten ontbreken in de berekeningen: o.a. de extra kosten van aannemers voor winst en risico. Ook ontbreken de kostenstijgingen voor architecten, constructeurs en installatieadviseurs, die geplande renovaties moeten voorzien van klimaatmaatregelen. Daarnaast is het rentepercentage aan corporaties voor verduurzaming te laag ingeschat en zijn de bouwkosten flink toegenomen. Aedes stelt dat de vergroeningskosten tot 50% hoger liggen dan het PBL berekende. Volgens het PBL is het verschil veel kleiner.

CPB, Doorrekening ontwerp-Klimaatakkoord, maart 2019

 

Contouren besluit woningbouwimpuls 2020

Minister van Veldhoven (BZK) informeert de Tweede Kamer over de criteria van de woningbouwimpuls. Het kabinet verbetert de toegankelijkheid van de woningmarkt voor starters en middeninkomens. Naast een korting op de verhuurderheffing voor nieuwbouwwoningen tot max. €1 mld in de komende 10 jaar, komt er €1 mld als impuls voor de bouw van betaalbare woningen. In het Besluit Woningbouwimpuls 2020 staan de 7 selectiecriteria voor middelen uit de impuls:

1. De projectaanvraag is ingediend door een gemeente.

2. De projectaanvraag heeft regionaal draagvlak en provinciale steun, bijv. de woondeals.

3. Een woningbouwprogramma met netto ten minste 500 woningen in een aaneengesloten gebied.

4. Het programma bevat een substantieel aandeel betaalbare woningen voor starters en middeninkomens met ten minste 50% huurwoningen onder de €1.000 (ook sociale huurwoningen) en koopwoningen onder de NHG-grens.

5. Het project is voldoende concreet, zit in de ontwikkelfase voorafgaande aan de bouwfase, maar moet de bestemmingsplanprocedure nog doorlopen. De bouw moet uiterlijk in 2023 starten.

6. Het project kent een financieel tekort op de publieke exploitatie van een gemeente, ondanks planoptimalisatie en substantiŽle cofinanciering van betrokkenen. Marktpartijen moeten maximaal bijdragen en medeoverheden moeten ten minste 50% bijdragen.

7. De opgevoerde kosten van investeringen zijn noodzakelijk en toerekenbaar.

Rijksoverheid, Kamerbrief contouren besluit woningbouwimpuls 2020

Rijksoverheid, Woningbouwimpuls 2020

 

NVM: huren vrije sector

De huurprijzen in de vrije sector stegen eind 2019 bij mutatie met 4,5%. De gemiddelde prijs steeg tot €11,92/m2. Beneden de €1.000 is er geen huuraanbod.

De belangrijkste ontwikkelingen in de vrije huursector in het 2e halfjaar 2019 zijn:

1) de huurstijging van 4,5%/m2 bij mutatie,

2) de afvlakkende huurstijging,

3) de huurprijsstijging van appartementen is iets hoger dan die van woonhuizen en

4) de prijsstijging van gestoffeerde/gemeubileerde huurwoningen bleef met +5% stabiel.

De gemiddelde transactiehuurprijs bedroeg €1.095. Regionale verschillen blijven groot: gemiddelde m2-transactiehuurprijs Amsterdam = €20,73 vs. Almere = €10,51.

De stijging van de huurprijzen vlakt af. In de jaren 2014 – 2019 nam de verhouding van het aantal mutaties met een huurprijs tot €1.000 af t.o.v. het aantal mutaties met een huurprijs erboven. NVM concludeert hieruit dat steeds meer huurders, door te weinig middenhuurwoningen, een woning moeten huren vanaf €1.000.

NVM, Marktrapportage ‘Transparantie in de verhuurmarkt’

 

Huurprijsbeleid tot medio 2021

De MG-circulaire beschrijft het huurprijsbeleid per 01-01-2020 t/m 30-06-2021, incl. de nieuwe regeling voor de maximale huursomstijging (maximale gemiddelde huurverhoging) voor woningcorporaties van 2020. In de circulaire staat ook het proces van de inkomensafhankelijke hogere huurverhoging.

MG-circulaire 2020-01: Huurprijsbeleid voor de periode 01-01-2020 t/m 30-06-2021

 

VEH: (te) hoge makelaarskosten

De vergoeding of courtage die een makelaar berekent is gemiddeld 1,38% van de verkoopprijs. Bij een transactieprijs van €350.000 kost de makelaar dus €4.800. De hoogste courtage die de VEH tegenkwam was 2,12%, de laagste 0,5%. Bij 25% van de offertes rekent de makelaar een vaste vergoeding, variŽrend van €1.500 tot €7.000 voor de verkoop van een woning.

VEH adviseert verkopers om 2 tot 3 makelaars om vrijblijvende offertes te vragen. Een makelaar kan ook een bonuscourtage voorstellen als de woning meer opbrengt dan werd geraamd, bijv. 10% van de extra opbrengst. Ligt de uiteindelijke verkoopprijs bijv. €30.000 hoger dan de geschatte opbrengst van €320.000, dan betaalt de verkoper daarvan €3.000 aan zijn makelaar. Dat bedrag komt bovenop de basiscourtage van €3.200 (in dit voorbeeld 1% van de geschatte verkoopprijs). De makelaarsrekening stijgt hierdoor tot €6.200, tegenover €4.830 bij een reguliere courtage van 1,38 %.

VEH vindt bonusafspraken niet passen in een oververhitte woningmarkt, waar huizen moeiteloos worden verkocht en prijzen steeds verder oplopen. Verkoopcijfers van vergelijkbare woningen in de buurt kan iedereen opvragen bij het Kadaster en geven houvast bij het inschatten van een realistische opbrengst van de eigen woning.

Vooral in oververhitte regio’s en prijsklassen start het biedproces vaak al na de eerste bezichtigingen. Volgens NVM worden huizen gemiddeld binnen 1 maand verkocht en in 42% van de gevallen boven de vraagprijs. Gemiddeld kunnen kopers kiezen uit minder dan 3 te koop staande huizen.

Bovenop de courtage berekent 80% van de makelaars 'opstartkosten' voor het opmeten van de woning, het maken van foto’s, plattegronden en een verkoopbrochure t/m het plaatsen van de woning op Funda. Deze kosten bedragen gemiddeld €550 en moeten worden betaald kort na het tekenen van de verkoopopdracht. In enkele gevallen worden deze kosten achteraf verrekend met de courtage. Voor extra’s als advertenties en open huizen dagen moet altijd extra worden betaald.

 

De bouwrechter

Sinds 1 jaar heeft de rechtbank Noord-Holland een bouwrechter voor (ver)bouwzaken waarin een conflict is. Samen met een deskundige gaat de bouwrechter in de woning kijken als de verbouwing nog gaande is en de opdrachtnemer nog in de woning aanwezig is. Ter plekke kan de deskundige vaststellen wat er aan de hand is. De insteek is om de partijen er met elkaar uit te laten komen. Lukt dat niet dan volgt een vonnis van de rechter.

Een zaak bij de bouwrechter wordt op de locatie zelf en in beslotenheid behandeld. Voordeel: het werk in geschil is dan inclusief de eventuele tekortkomingen nog onveranderd zichtbaar voor de rechter en de ingeschakelde deskundige en oplossingen kunnen ter plaatse worden besproken en vastgelegd. Daarom kunnen partijen in (ver)bouwzaken bij de rechtbank NH met een dagvaarding in kort geding de ‘bouwrechter’ inschakelen. Een soort ‘EHBO in bouwzaken’.

Anders dan in een normale kort geding behandelt de voorzieningenrechter de zaak op de plaats van het werk met behulp van een deskundige. De deskundige brengt daar ook direct een mondeling deskundigenbericht uit. De insteek is o.b.v. dat deskundig oordeel te komen tot een schikking. Als dat niet lukt, brengt de deskundige een beknopt schriftelijk deskundigenbericht uit en volgt er een schriftelijk kortgeding vonnis van de rechter.

De procedure begint als een kort geding waarin de wederpartij moet worden opgeroepen te verschijnen op de zitting van de bouwrechter. Deze zitting is op de werklocatie. In de dagvaarding moet de situatie van het werk duidelijk worden beschreven, zo mogelijk onderbouwd met foto’s. De wederpartij moet na het uitbrengen van de dagvaarding binnen 2 weken schriftelijk reageren. Blijft een reactie uit, dan gaat de zitting op locatie niet door. De eisende partij heeft dan de keuze of de zaak als kort geding wordt voortgezet: er volgt dan een reguliere kortgeding zitting in de rechtbank.

De kosten van de procedure zijn gelijk aan die van een kort geding + de kosten van het deskundigenbericht en de reiskosten van de deskundige. Voor deze procedure wordt een beroep gedaan op een van de 4 geselecteerde deskundigen. Zij rekenen voor het deskundigenbericht een vast tarief van €1.452 incl. btw. Gedurende de pilot komt hiervan €600 voor rekening van partijen. Het overige wordt gesubsidieerd vanuit de Rechtspraak.

 

Digitale koopovereenkomst

Zorgeloos Vastgoed heeft een demo van een digitale koopovereenkomst die moet voorkomen dat je de koopovereenkomst telkens opnieuw moet kopiŽren, controleren en verspreiden. Dat meldt KNB.

Het proces rondom een koopovereenkomst is niet altijd overzichtelijk. Daarom werkt Zorgeloos i.s.m. KNB aan een verbetering van dit proces te beginnen bij het ontwikkelen van een digitale koopovereenkomst. Nu controleert elke ontvanger van de overeenkomst opnieuw de inhoud. Straks is dat niet meer nodig.

 

Afvlakkend Consumentenvertrouwen woningmarkt

Het consumentenvertrouwen in de koopwoningmarkt vlakt af, zo blijkt uit de VEH Marktindicator die uitkomt op 104. In de maanden ervoor waren de waarden iets hoger. Sinds de crisis in 2008 is het consumentenvertrouwen sterk gedaald tot zelfs 51 eind 2012. Daarna steeg het vertrouwen tot 121 eind 2016. Daarna daalde het vertrouwen tot een stabiel niveau van ca. 110. En nu dus 104.

Volgens 43% van de Nederlanders is het nu geen gunstige kooptijd vanwege een tekort aan betaalbare woningen.

 

Waterschapsheffing omhoog

De waterschapsheffing stijgt dit jaar met bijna 5% j-o-j. In Limburg gaat het zelfs om +12%. De stijging komt deels door investeringen tegen hoogwater. Driekwart van de waterschapsheffingen wordt betaald door huishoudens, de rest door boeren en bedrijven. Gemiddeld betaalt een meerpersoonshuishouden ca. €354 aan waterschapsheffingen. Gezinnen in waterschap Delfland betalen €462, gezinnen in De Dommel betalen €244. De waterschappen werken aan een landelijk plan om de dijken te versterken: hoogwaterbescherming.

 

Vastgoedprijzen wereldwijd

Vastgoedprijzen bewegen zich wereldwijd steeds meer synchroon en in veel landen stijgen de prijzen snel. Ook groeit de rol van internationale beleggers op zowel de woning- als de commercieel vastgoedmarkt. Een rapport van het BIS Committee on the Global Financial System gaat in op deze trends in ruim 20 landen.

De huidige woning- en vastgoedprijzen zijn in veel landen hoog t.o.v. huren en inkomens. Centrale banken zien hierdoor de kans op een marktcorrectie toenemen. Vaak kunnen prijsontwikkelingen echter deels worden verklaard door fundamentele factoren als de lage rente, gestegen inkomens en toegenomen bevolkingsgroei. Ook de lage rendementen op financiŽle activa zoals obligaties dragen bij aan de toenemende vraag naar vastgoed.

Er is geen wereldwijde vastgoedmarkt. Verschillen in ruimtelijke ordening, belastingbeleid en financiŽle regelgeving maken dat vastgoedmarkten per land anders zijn. Zo verschillen de Nederlandse en Duitse woningmarkt sterk van elkaar: in Duitsland, waar meer wordt gehuurd en kopers meer eigen geld moeten inbrengen, ontwikkelden woningprijzen zich de afgelopen decennia gematigder dan in Nederland, dat ruimere financieringsnormen en hypotheekrenteaftrek kent.

Verder toont het rapport dat internationale beleggers een steeds grotere rol spelen op woning- en vastgoedmarkten, o.a. vanwege de aantrekkelijke rendementen. Vastgoedprijzen stijgen sterk in landen waar veel buitenlandse beleggers actief zijn. Beleidsmakers kunnen de risico’s van internationale beleggers, die zich in slechte tijden snel terug kunnen trekken, niet goed tegengaan met macroprudentieel beleid. De nationale regels raken de buitenlandse partijen meestal niet, omdat zij niet worden gefinancierd door binnenlandse banken. Beleidsmakers zoeken daarom regelmatig hun toevlucht in belastingmaatregelen specifiek gericht op buitenlandse kopers, zoals een hogere overdrachtsbelasting.

Buitenlands kapitaal stroomt vooral naar vastgoed in grote steden. In steden groeit de vraag naar woningen sterk, vooral van jongeren, migranten en hoger opgeleiden. Beleggers spelen hierop in door stedelijke woningen te kopen en te verhuren, wat de vraag opstuwt. Aan de andere kant reageert het aanbod in steden slechts langzaam door ruimtelijke en bureaucratische restricties. De combinatie van groeiende vraag en achterblijvend aanbod zorgt voor sterkere prijsgroei in steden, vergeleken met de rest van het land.

BIS Committee on the Global Financial System, Property price dynamics: domestic and international drivers

Rob Nijskens, Melanie Lohuis, Paul Hilbers, Willem Heeringa, ed. Hot Property The Housing Market in Major Cities, 2019

 

Gemeentelijke woonlasten

VEH kwam deze maand met de gemeentelijke woonlasten. Wij baseren ons op de cijfers van COELO, die wij in januari publiceerden: COELO, Kerngegevens Belastingen Grote Gemeenten 2020.

 

Minister over erfpacht

Reactie van de minister op Kamervragen over erfpacht in Amsterdam. Hij ziet geen aanleiding om erfpachters verder te beschermen. Wel gaat hij in gesprek met geldverstrekkers over de eis van een nieuwe hypotheekakte bij overstappen, ook als er geen aanvullende financiering nodig is.

Erfpacht is een zakelijk recht waarbij de erfpachter voor een bepaalde duur het recht heeft de onroerende zaak van een ander te gebruiken tegen een vergoeding (de canon). Looptijden voor het erfpachtrecht zijn 30, 50, 75, 99 jaar of eeuwigdurende erfpacht. De canon en de erfpachtvoorwaarden zijn bekend bij het aangaan of de aankoop van het erfpachtrecht. In de erfpachtvoorwaarden kan worden overeengekomen dat de canon periodiek wordt herzien. Wanneer de canon aan het einde van de duur ... wordt herzien, heeft de erfpachter in de Amsterdamse erfpachtvoorwaarden voor 'voortdurende erfpacht' de mogelijkheid deze canon door een commissie van 3 deskundigen te laten bepalen. …

Of er een groot verschil is tussen de oude en nieuwe canon is erg afhankelijk van het contract, de locatie en het oude betalingsregime. Bij een afgekocht erfpachtrecht is er altijd een groot verschil tussen de oude canon (die is immers jaarlijks gelijk aan nul voor de periode waarvoor deze is afgekocht) en de nieuwe canon. Bij niet afgekochte canons, waarbij de oude canon niet werd geÔndexeerd, ontstaat alleen al door de inflatie van de afgelopen decennia een groot verschil met de nieuwe canon, nog afgezien van waardeveranderingen van de locatie. Een positieve waardeverandering van de locatie heeft te maken met maatschappelijke ontwikkelingen waardoor een locatie aantrekkelijker kan zijn geworden. Wanneer de oude canon jaarlijks werd geÔndexeerd voor inflatie, dan is het verschil met de nieuwe canon vaak aanmerkelijk kleiner. Op het moment dat een erfpachter zijn erfpachtrecht omzet naar eeuwigdurende erfpacht wordt de jaarlijkse canon alleen nog herzien met een inflatiecorrectie. Daarnaast kan deze eeuwigdurend afgekocht worden.

Er is in beide gevallen geen sprake meer van aanpassing van de canon aan de waardeontwikkeling van de locatie, tenzij de erfpachter verzoekt om aanpassing van het erfpachtcontract (bijv.d bij wijziging bestemming).

Het uitgangspunt van de residuele grondwaardemethodiek is de waarde van de onroerende zaak. Deze wordt voor een belangrijk deel bepaald door de locatie.

V: Is het u bekend dat dit systeem een sterk financieel ‘hefboomeffect’ kent aangezien de woningprijzen immers veel sneller stijgen dan de bouwkosten waardoor de grondwaarde en dus wat erfpachters moeten betalen nog sneller stijgt dan de WOZ-waarde?

A: Als de vastgoedwaarde sneller stijgt dan de kosten om het vastgoed te realiseren, dan stijgt de grondwaarde procentueel harder dan de bouwkosten. Andersom is ook het geval; als de vastgoedwaarde langzamer stijgt dan de kosten om het vastgoed te realiseren, dan stijgt de grondwaarde nauwelijks of kan deze dalen. Wanneer de vastgoedwaarde daalt en de kosten om te realiseren blijven gelijk, dan daalt de residuele waarde van de grond.

Sinds de financieel economische crisis is de marktwaarde van woningen in de grote steden, en van Amsterdam in het bijzonder, veel sneller gestegen dan de kosten voor het realiseren van nieuwe woningen. Steden zijn populair om te wonen en dit heeft zijn weerslag op de marktwaarde van woningen en daarmee op de grondwaarde van een locatie.

De AFM heeft eerder aangegeven dat hoewel erfpacht en het uitstellen van canonbetalingen strikt genomen niet onder de Wft valt, er wel een risico is op overkreditering.

Een aanbieder van hypothecair krediet dient bij het bepalen of een consument de lasten van een hypotheek kan dragen rekening te houden met alle financiŽle verplichtingen van de consument. Daaronder vallen uiteraard tevens de verplichtingen die voortvloeien uit erfpacht. Ook kijkt de hypotheekverstrekker naar de erfpachtvoorwaarden.

V: Deelt u de conclusie dat erfpacht feitelijk een financieel product is, maar complexer dan een hypotheek? Deelt u dan ook de conclusie dat de oplossing is om erfpachters een basale consumentenbescherming te bieden – zoals die ook geldt voor financiŽle producten?

A: Erfpacht is een zakelijk recht dat iemand het recht geeft de onroerende zaak van iemand anders te gebruiken. Erfpacht is dan ook geen financieel product. Erfpacht kan wel als complex worden ervaren door de voorwaarden die van toepassing kunnen zijn en de eventuele periodieke herwaardering van de canon. Voor de erfpachter die overstapt op eeuwigdurende erfpacht geldt overigens dat een element van de ervaren complexiteit (de periodieke herziening van de canon) wordt weggenomen.

De bescherming van erfpachters op gemeentegrond is geborgd door een regeling voor geschillen welke is opgenomen in de meeste erfpachtovereenkomsten, zoals bijv. in Amsterdam de 3e deskundigenprocedure voor het bepalen van de canon, is er een (gemeentelijke) ombudsman waartoe erfpachters zich kunnen wenden en staat de weg naar de burgerlijke rechter open als er geen oplossing voor het conflict bereikt wordt.

 

Rookmelders verplicht voor bestaande bouw

Bij nieuwbouw is een rookmelder op iedere woonverdieping verplicht. Minister Knops wil deze verplichting ook voor bestaande bouw. Hij doet dit op advies van brandweer, gemeenten, vastgoedeigenaren en bouwpartijen. Deze verplichting gaat in per 01-07-2022.

De internetconsultatie loopt tot 21-03-2020.

internetconsultatie.nl

 

Woonoppervlakte steeds groter

Het gemiddelde nieuwbouw rijtjeshuis is met 128m2 woonoppervlakte groter dan ooit, de achtertuin is nog slechts 80m2. Dat schrijft vastgoedadviseur Colliers International in hun recentste woningmarktonderzoek. Gemiddeld zijn voor- en achtertuin samen 87m2. "Door de jaren heen zijn we groter gaan bouwen voor steeds kleinere huishoudens", aldus Colliers. "Daarnaast willen bewoners meer ruimte voor andere zaken zoals een walk-in-closet, game room of man cave.” De gemiddelde voortuin was halverwege de vorige eeuw nog 20m2, de achtertuin 115m2. Bron: AM, Trouw, Telegraaf (we vonden het onderzoek niet op de site van Colliers International, red.)

 

 


Hypotheeknieuws

 

BKR registratie

Sinds 01-02-2020 registreert BKR zakelijke kredieten en hypotheken 'beter'. Vanwege de toename van ondernemers en zzp'ers zijn er meer zakelijke kredieten, d.w.z. kredieten waarvoor je hoofdelijk aansprakelijk bent. Deze kredieten werden al gemeld bij BKR, maar door een andere registratiemethode weten kredietverstrekkers nu dat het om een krediet gaat dat zakelijk is afgesloten maar waarvoor je privť aansprakelijk bent.

BKR registreert geen hypotheek voor de eigen woning. Wel als er een betalingsachterstand is. Ook hypotheken met een ander onderpand dan de eigen woning worden geregistreerd.

BKR, Registratie zakelijk krediet

BKR, Registratie hypotheek anders dan eigen woning

 

30-jaarsrente onder 2%

De 30-jaarsrente voor NHG-hypotheken ligt gemiddeld op 1,99%, met uitschieters tot 1,85%. Zonder NHG is de gemiddelde rente 2,45%. Een jaar terug lag de 30-jaarsrente nog 0,9%-punt hoger.

 

Stunten met rente van 0,99%

Lot Hypotheken (NIBC) start met een 10-jaarsrente van 0,99%. Het gaat om NHG-hypotheken. Een kwart van de NHG-hypotheken is voor 10 jaar, maar 20 en 30 jaar worden steeds populairder. Langlopende hypotheken zijn relatief ongunstig voor banken. Eerder kwam ABN Amro met een 10-jaarsrente van 0,99%, maar alleen i.c.m. huisbankkorting en duurzaamheidskorting.

 

Vooraankondiging BKR-registratie

Een kredietverstrekker moet vůůr de registratie van een achterstand daarvoor waarschuwen (vooraankondiging), zodat de betrokkene registratie kan voorkomen en de kredietverstrekker moet aannemelijk maken dat zij een vooraankondiging heeft verzonden.

De administratie van de kredietverstrekker kan tot bewijs strekken. Het is vaste jurisprudentie … dat de kredietverstrekker met briefkopieŽn de verzending van de vooraankondiging aannemelijk kan maken. De kredietverstrekker stelt een vooraankondiging te hebben gestuurd op 18-12-2017, maar heeft deze niet overgelegd. Bovendien betwisten de betrokkenen dat zij de vooraankondiging hebben ontvangen. BKR gaat er daarom van uit dat de kredietverstrekker geen vooraankondiging … heeft gestuurd. De kredietverstrekker stelt dat de betalingstermijn ook besloten ligt in eerdere aanmaningbrieven met de boodschap dat de kredietverstrekker achterstanden van meer dan 60 dagen aan het BKR meldt. BKR vindt echter dat die brieven niet kunnen worden gekwalificeerd als vooraankondiging. Een vooraankondiging moet: 1) voldoende duidelijk zijn, 2) in niet mis te verstane bewoordingen waarschuwen en ) een termijn noemen waarbinnen … moet worden betaald om registratie … te voorkomen.

De e-mail van de kredietverstrekker aan de betrokkenen van 27-12-2017had wel die structuur, maar bevatte slechts een betalingstermijn van een halve dag. Die termijn is – mede vanwege de vakantieperiode – onredelijk kort, waardoor deze e-mail niet geldt als een geldige vooraankondiging.

De kredietverstrekker moet binnen 10 werkdagen na dagtekening van deze beslissing de A op het aflopend krediet verwijderen.

Bron: BKR

 

Minister over de huizenmarkt

Reactie minister Hoekstra (FinanciŽn) op vragen over de Toezichthouderregeling van DNB i.v.m. de introductie van een minimumvloer voor risicogewichten van hypotheekleningen. Opgemerkt werd dat Nederlandse banken tijdens de woningmarktcrisis 2008 - 2013 weinig verliezen leden op hun hypotheekportefeuilles.

V: Wanneer zijn banken ‘voldoende weerbaar’ tegen de gevolgen van een huizenprijscorrectie?

A: ... wanneer zij de negatieve gevolgen van een huizenprijscorrectie op hun inkomsten en kapitalisatie kunnen opvangen zonder dat het functioneren van banken ernstig verstoord wordt.

V: Kunt u kwantificeren in hoeverre Nederlandse banken afhankelijk zijn van marktfinanciering, vergeleken met banken in andere relevante landen?

A: De afhankelijkheid van marktfinanciering kan worden gemeten a.d.h.v. de loan-to-deposit-ratio (de hoeveelheid leningen ten opzichte van de hoeveelheid deposito’s voor een bepaalde periode). Bij marktfinanciering moeten banken zich na afloop van de looptijd van de leningen herfinancieren. Herfinancieringsrisico ontstaat doordat een bank niet meer tegen dezelfde (gunstige) voorwaarden kan lenen, bijv. door het opdrogen van de markt. Sinds de kredietcrisis hebben Nederlandse banken de loan-to-deposit-ratio teruggebracht van 200% in 2008 naar 119% in 2019. Banken zijn hierdoor nu minder kwetsbaar voor herfinancieringsrisico dan voor de crisis. In internationaal perspectief blijven Nederlandse banken echter nog steeds relatief afhankelijk van marktfinanciering, de gemiddelde loan-to-deposit ratio in Europa is 99%.

V: Wat is het effect van het verlagen van de LTV-ratio op de hypotheekmarkt en op de financiŽle stabiliteit?

A: ... de maximale LTV-ratio (is) stapsgewijs verlaagd, laatstelijk naar 100%. Daarnaast is ten minste annuÔtair aflossen binnen 30 jaar voor nieuwe hypotheken een voorwaarde ... voor hypotheekrenteaftrek. A.g.v. deze maatregelen wordt de schuldengroei beperkt; de gemiddelde LTV bij aanvang van een hypotheek is gedaald en daalt gedurende de looptijd van de hypotheek. Uit cijfers van het IMF blijkt dat de private schuldenlast in Nederland, ondanks een afname over de laatste jaren, nog steeds een van de hoogste is onder de aangesloten landen. Na Denemarken heeft Nederland de hoogste private schuldenlast in de EU t.o.v. het bbp, met 103%.

Het meest recente onderzoek laat zien dat bij een maximale LTV-ratio van 90% meer starters de koop van hun beoogde woning enige tijd moet uitstellen. Het CPB berekent dat bij ongeveer 40% van de starters deze maatregel tot uitstel zou leiden, waarbij zij in doorsnee de aankoop 1,5 tot 3 jaar uitstellen. Ook voor doorstromers geldt dat meer van hen de koop enige tijd uit moet stellen. Het CPB berekent hierbij een toename van ongeveer 14%. Voor zowel starters als doorstromers die een woning aankoop uitstellen is dat noodzakelijk, omdat zij bij een maximale LTV-ratio van 90% over onvoldoende eigen middelen beschikken.

V: Met hoeveel zullen de hypotheekrentes stijgen a.g.v. het verhogen van risicogewichten voor hypotheekleningen van banken?

A: … DNB verwacht dat de hypotheekrente maar beperkt zal stijgen (0,02%) a.g.v. de maatregel.

 

Advies studielening bij hypotheekaanvraag

In reactie op de motie Paternotte/Wiersma vraagt het kabinet het Nibud advies over de wegingsfactor van studieleningen bij een hypotheekaanvraag. Hierbij zal het Nibud de aannames rond de rentestanden heroverwegen. Dat meldt het kabinet in reactie op de SER-verkenning 'Hoge verwachtingen'.

Studieleningen van na 2015 wegen minder zwaar mee dan leningen onder het oude stelsel (wegingsfactor 0,75% in het oude stelsel versus 0,45% in het nieuwe stelsel). De wegingsfactor voor consumptief krediet is 2%.

Moet van de oorspronkelijke of actuele studieschuld worden uitgegaan? Het uitgangspunt hierbij is dat de maandlast van de studieschuld afgeleid is van de oorspronkelijke hoofdsom die annuÔtair wordt afgelost. Het maakt dus niet uit of een student in zijn 1ste jaar van terugbetaling zit of al langer aan het terugbetalen is. Wanneer zou worden uitgegaan van de actuele studieschuld is de inschatting van de maandlast van de oud-student niet correct en is er meer risico op overkreditering. Ook het Nibud adviseert om de huidige regeling te handhaven, aldus Koolmees: "Kredietverstrekkers kunnen overigens bij vervroegde extra aflossingen op een studieschuld of een korte resterende looptijd wel een hogere maximale hypotheek verstrekken. Dit onderwerp is i.h.k.v. het Platform hypotheken in 2019 met marktpartijen aan bod geweest. Hieruit bleek dat kredietverstrekkers geen knelpunten ervaren bij het toepassen van de bovengenoemde maatwerkmogelijkheden."

SER, Hoge verwachtingen: kansen en belemmeringen voor jongeren in 2019 - Publieksversie

 

Uitkoop ex-partner NHG-hypotheek

Bij de uitkoop van een ex-partner bij een NHG-hypotheek toetst NHG sinds 01-01-2020 o.b.v. de reguliere acceptatienormen ťn o.b.v. beheernormen i.p.v. alleen op acceptatienormen. Bij de beheertoets kijkt NHG niet naar wat er geleend kan worden, maar wat er per maand aan hypotheeklast betaald moet worden. Kan de hypotheekverstrekker onderbouwen dat de klant deze lasten kan dragen, dan staat NHG toe dat de aanvullende lening voor de overwaarde bij de hypotheek wordt opgeteld.

Met deze aanpassing hebben ex-partners meer kans op hypothecaire financiering van een aanvullende lening. Hierdoor kan een van beiden in de woning blijven.

NHG: "Steeds meer woningen hebben overwaarde. Als je uit elkaar gaat en zelf in de woning wilt blijven, dan moet je jouw ex-partner een vergoeding betalen voor de waarde van de gezamenlijke woning, incl. overwaarde. De meeste mensen hebben dit niet op hun rekening staan en hypothecaire financiering vormt ook vaak een struikelblok. Het ongewenste resultaat is dat uitkopen te duur wordt, waardoor de woning gedwongen verkocht moet worden.

NHG signaleert dat mensen naar andere oplossingen zochten om de woning te kunnen behouden. Bijv. door een persoonlijke lening af te sluiten. Dat is eenvoudiger omdat er andere regels van toepassing zijn dan bij een hypothecaire lening. De bijbehorende maandlasten zijn echter een stuk hoger en dat is … onwenselijk.”

 

Infographic Arbeidsmarktscan

De Arbeidsmarktscan is er om meer flexwerkers een verantwoorde en betaalbare hypotheek te bieden o.b.v. hun kansen op de arbeidsmarkt. Maar hoe werkt de scan? En hoe leg je het gebruik ervan uit aan je klanten? NHG heeft hiervoor een infographic.

NHG, Infographic

 

Praktijk casussen

Test je kennis. De Belastingdienst heeft enkele oefencasussen over hypotheken, huurtoeslag en andere onderwerpen met uitwerkingen beschikbaar gesteld. Ga naar het Kennisnetwerk; na inloggen kun je de zelftoets(en) maken. Per vraag krijg je feedback of het gegeven antwoord goed of fout is, en wat het goede antwoord is.

Belastingdienst, Kennisnetwerk

 

 


Branchenieuws

 

FAQ corona

Het Verbond heeft een FAQ over het coronavirus online geplaatst.

Verbond, Coronavirus

 

AFM Marktmonitor 2020

In maart kunnen adviseurs en bemiddelaars de AFM Marktmonitor 2020 invullen. De monitor bevat ook vragen over de naleving van de Wwft en heet daarom ‘MMAB en Wwft 2020’. Het invullen is verplicht.

De vragenlijst bevat o.m. de maatstaf voor de bijdrage in de kosten doorlopend toezicht 2020. I.p.v. het aantal fte’s is nu de omzet uit vergunninghoudende activiteiten bepalend voor de bijdrage.

In 2019 heeft de AFM alleen een informatieverzoek ‘Opgave maatstaf en Wwft 2019’ uitgestuurd en geen volledige Marktmonitor vanwege een herziening van de vragenlijst. Deze vragenlijst in 2020 is daarin de eerste stap.

De ca. 7.000 adviseurs en bemiddelaars die de vragenlijst moeten invullen, krijgen een brief over per wanneer de vragenlijst voor hen openstaat. Groep 1: vanaf 02-03-2020; groep 2 vanaf 09-03-2020 en groep 3 vanaf 16-03-2020. Het invullen moet binnen 4 weken gebeuren.

 

Pechhulp geen claim

Stichting CIS registreert pechhulp a.g.v. een eigen gebrek van het voertuig niet als claimmelding in de CIS-database. Dit n.a.v. een Kifid-uitspraak waarin een pechhulpabonnement gezien wordt als verzekering. Een verzekerde is daarom bij een nieuwe verzekeraar geweigerd omdat hij 3 keer een beroep heeft gedaan op pechhulp en die claims in de CIS-database geregistreerd zijn.

Na navraag bij motorrijtuigverzekeraars bleek dat 2 verzekeraars pechhulp als een claimmelding registreren. Het gaat hierbij om pechhulp als een lege accu of lekke band, een gevolg van een eigen gebrek aan het voertuig. Andere vormen van hulpverlening, die vaak via een schadeaangifteformulier in gang worden gezet, worden doorgaans geregistreerd als claimmelding.

CIS heeft de 2 verzekeraars die pechhulp registeren verzocht om bestaande registraties te verwijderen en geen toekomstige pechhulpverzoeken meer te registreren.

Kifid, Uitspraak-2020-066

 

RMiA assessment

Het vernieuwde RMiA (fusie RMiA en RAiA) telt ruim 500 ingeschreven die naast Assurantie A minimaal 3 jaar werken in de (groot)zakelijke assurantiemarkt. Voor nieuwe toetreders geldt een assessment, bestaande uit een schriftelijk deel en een mondeling deel, die op dezelfde dag worden afgelegd. In het schriftelijk deel zijn er 5 vragen over cases, gebaseerd op Assurantie A-examenstof: A-Algemeen, A-Brand, A-Transport, A-Varia (Aansprakelijkheid) en A-Varia (Inkomen) die de kandidaat binnen 50 minuten moet beantwoorden. Direct erna volgt de mondelinge test van 30 minuten: de kandidaat moet de 5 antwoorden van het schriftelijke gedeelte toelichten.

 

Recht op premierestitutie

Het recht op premierestitutie als een verzekeraar zich beroept op het verval van uitkering wegens schending van de mededelingsplicht en de verzekeringnemer te goeder trouw heeft gehandeld, wordt per 2021 bij wet geregeld. Dit staat in de toelichting op de Wijzigingswet financiŽle markten 2021.

Het Verbond bepleitte eerder dat de betrokken verzekeraar recht zou moeten krijgen op “een billijke vergoeding van de te zijnen laste gekomen kosten”. Die zinsnede staat ook in het wetsvoorstel. Mede daarom is het Verbond blij met het wettelijke recht op premierestitutie. Dat recht geldt alleen als de verzekeringnemer bij het aangaan van de verzekering te goeder trouw was. Het Verbond heeft nog een extra verzoek: het wetsartikel moet ook rekening houden met verzekeringen die de belangen dekken of het risico betreffen van een derde, bijv. als op het leven van een derde een levensverzekering is gesloten.

Wijzigingswet financiŽle markten 2021

 

Geen rente, toch sparen

Nederlanders sparen ondanks de lage rente gewoon door. Eind 2019 hadden huishoudens €368 mld op een spaarrekening staan: + €12,6 mld (3,5%) j-o-j, zo meldt DNB. De netto-inleg was €12,2 mld.

Het spaarbedrag van Nederlanders groeit al jaren. Volgens DNB komt dat doordat de bevolking groeit en het gemiddelde inkomen ook. En het deel van het inkomen dat we opzijzetten, is relatief stabiel.

De totale bijgeschreven rentebedrag in 2019 was €1,2 mld. ABN Amro en ING keren geen rente meer uit. Maar een lagere rente of het vooruitzicht van geen rente heeft geen of nauwelijks invloed op het spaargedrag, aldus DNB.

Van de €368 miljard spaargeld stond €313 mld op vrij opneembare spaarrekeningen en €55 mld op deposito’s met vaste looptijd, waaronder ook bouwdeposito’s en rekeningen t.b.v. spaarhypotheken of spaarloonregelingen.

Over heel 2019 was de netto inleg van vrij opneembare spaarrekeningen hoger dan in 2018 (€11,4 mld tegen €4,5 mld). De netto inleg van deposito’s met vaste looptijd was juist lager (€0,8 mld tegen €1,1 mld). Mogelijk dat huishoudens de huidige geringe vergoeding op deposito’s met vaste looptijd niet op vinden wegen tegen de lagere flexibiliteit en de moeite die het kost om geld over te zetten. Ook de toename van de direct opeisbare tegoeden van huishoudens op bijv. hun betaalrekening wijst daar op. Eind 2019 stond voor €77 mld uit aan direct opeisbare tegoeden: + €9 mld j-o-j.

 

DNB: Rendement beleggingsinstellingen

Beleggingsinstellingen behaalden in 2019 een rendement van 18%; de AEX-index steeg met 24%. Het verschil komt doordat beleggingsinstellingen niet alleen beleggen in aandelen, maar ook in obligaties en vastgoed. Het gemiddelde rendement varieerde van nog geen 4% voor hedgefondsen tot ruim 27% voor aandelenfondsen. Een spaardeposito was goed voor 0,7% rendement. In jaren als 2009 en 2019 lag het rendement op de AEX-index hoger dan voor de beleggingsinstellingen als totaal. Maar in jaren waarin de beurs daalde, zoals 2011 en 2018, waren de verliezen van beleggingsinstellingen kleiner dan de daling van de AEX.

In 2019 behaalden - op ťťn na - alle typen fondsen een rendement van boven de 10%. De aandelenfondsen presteerden het beste: +ruim 27% (2018: -6%). Doordat de rente in het eurogebied tot eind augustus daalde, behaalden ook obligatiefondsen in 2019 koerswinsten. Ze behaalden voor heel 2019 een rendement van bijna 11%. De hedgefondsen behaalden een rendement van 3,8%.

Een belegging van €1,00 eind 2008 verspreid over alle Nederlandse beleggingsinstellingen was per eind 2019 €2,37 waard. Een belegde euro in alleen aandelenfondsen steeg tot €3,60. Een belegging in een van de andere fondsen resulteerde in een eindwaarde van onder de €2,37.

 

CPB-studie: particulier vermogen in stenen

Nederlandse huishoudbalansen zijn bijzonder vanwege de hoge hypotheekschulden en hoge pensioenaanspraken. Het CPB onderzocht hoe de vermogensopbouw van Nederlanders zich verhoudt tot theoretisch optimale niveaus.

1) Nederlandse huishoudens sparen niet te veel. Tot de pensionering is het optimale mediane vermogen gelijk aan het netto vermogen van Nederlanders, hoewel de verschillen tussen huishoudens groot zijn.

2) Veel Nederlanders hebben te weinig liquide vermogen om onverwachte inkomensdalingen op te kunnen vangen. Het vermogen zit in de eigen woning, wat moeilijk snel liquide te maken is.

3) Veel ouderen hebben meer vermogen dan theoretisch optimaal zou zijn.

CPB, Are the savings of Dutch households optimal?

CPB, Nederlandstalige samenvatting

 

Afvlakkende prijsstijging

Consumentengoederen en -diensten waren in januari bijna 2% duurder dan een jaar eerder, meldt het CBS. De sterke daling van de prijsstijging komt doordat het effect van de hogere energiebelasting en btw per 01-01-2019 is uitgewerkt. De consumentenprijsindex (CPI) is inflatie minus koopwoningen, industriŽle producten, aandelen en goud.

De stijging van de consumentenprijzen was j-o-j lager a.g.v. de elektriciteitsprijzen. Elektriciteit was in januari bijna 40% goedkoper dan een jaar eerder. Per elektriciteitsaansluiting geldt een belastingvermindering. Deze belastingvermindering is per 2020 verhoogd naar €527,17. In 2019 was het bedrag daarentegen verlaagd naar €311,62.

De motorrijtuigenbelasting steeg in januari gemiddeld met 3,7%, mede door een nieuwe fijnstoftoeslag voor bepaalde dieselauto’s.

Premies voor aanvullende ziektekostenverzekeringen waren in januari gemiddeld 4,7% hoger j-o-j. Vorig jaar stegen de premies met 4,2%.

Het CBS berekent ook de Europees geharmoniseerde consumentenprijsindex (HICP). Die prijzen waren in januari 1,7% duurder j-o-j. De prijsstijging in de eurozone steeg van 1,3% in december naar 1,4% in januari. De HICP houdt geen rekening met de woonlasten, de CPI doet dat wel a.d.h.v. de ontwikkeling van woninghuren.

 

Tarief uitvaartadvies

Bijna 1 op de 3 financieel adviseurs berekent €75 voor uitvaartadvies. Dit meldt Monuta o.b.v. een tariefvergelijking van 830 intermediairs. 3 op de 4 adviseurs berekent een eenmalig vaste fee. Het gemiddelde bedrag voor dat advies is krap €100 (2018: ruim €100). Ca. 13% van de intermediairs werkt met een doorlopend serviceabonnement. In 2016 ging het nog om 19%. Het gemiddelde bedrag voor een serviceabonnement is €3,25 p.m. (2018: €3,44).

 

Wijziging Kadasterwet i.v.m. e-ondertekening

Elektronische aanleveringen voor inschrijvingen in de Kadaster-registers worden 24 uur per dag verwerkt. De berichten worden geautomatiseerd aangemaakt en verstuurd. Vanwege de eisen van rechtszekerheid en betrouwbaarheid van de gegevensuitwisseling werden deze berichten voorzien van een gekwalificeerde elektronische handtekening (eIDAS-verordening).

Maar deze geautomatiseerde ondertekening is niet in overeenstemming met het karakter van de eIDAS-verordening. Een gekwalificeerde elektronische handtekening moet gecreŽerd worden met een private handtekeningsleutel die de ondertekenaar, met een hoog vertrouwensniveau onder zijn uitsluitende controle kan gebruiken. Dat betekent dat de handtekeningsleutel strikt persoonlijk moet worden gebruikt door een natuurlijke persoon. Ook is voorgeschreven dat de private handtekeningsleutel niet belet dat de te ondertekenen gegevens vůůr ondertekening aan de ondertekenaar worden voorgelegd.

Het gebruik bij het Kadaster voldoet niet aan deze eisen. De berichten worden automatisch gegenereerd en verstuurd: de bewaarder heeft geen actieve rol bij ondertekening van de berichten.

O.g.v. de eIDAS-verordening kan wel een elektronisch zegel worden gebruikt bij het versturen van berichten, om de betrouwbaarheid van de entiteit van het Kadaster aan te tonen. Een elektronisch zegel is bedoeld voor rechtspersonen en niet, zoals de elektronische handtekening, voor natuurlijke personen. Gebruik door het Kadaster van een elektronisch zegel bij automatisch gegenereerde berichten is in overeenstemming met de eIDAS-verordening, maar is niet mogelijk o.g.v. de Kadasterwet. In de Kadasterwet staat namelijk dat elektronische bewijzen van ontvangst en (niet-)inschrijving worden ondertekend middels de elektronische handtekening van de bewaarder. Met de voorliggende wetswijziging wordt het gebruik van het elektronisch zegel door het Kadaster wettelijk mogelijk gemaakt.

Het voor de ondertekening met een gekwalificeerde elektronische handtekening vereiste gekwalificeerde beroepscertificaat liep in oktober 2019 af, en werd vanwege het met de eIDAS-verordening strijdige gebruik niet door de verstrekker verlengd. Zonder actie zou de dienstverlening van het Kadaster, en daarmee de onroerendgoedmarkt, stil komen te liggen. Aangezien de verordening van hogere orde is dan de Kadasterwet en om de dienstverlening niet te hoeven staken is het Kadaster, vooruitlopend op deze wetswijziging, per 26-09-2019 reeds overgegaan op de eIDAS-compliant ondertekening middels een elektronisch zegel.

Dit wetsvoorstel strekt ertoe de Kadasterwet te wijzigen zodat het Kadaster i.o.m. de eIDAS-verordening kan doorgaan met het geautomatiseerd aanmaken en ondertekenen van berichten van de bewaarder. Het Kadaster maakt, voor de elektronische ondertekening van volledig geautomatiseerd aangemaakte documenten, gebruik van een gekwalificeerd elektronisch zegel. Dit is i.o.m. de eIDAS-verordening, maar niet met de Kadasterwet. Met de voorliggende wetswijziging wordt de Kadasterwet hierop aangepast.

 

 


Werk- en inkomennieuws

 

Noodstop stapelen boetes

Mensen die hun boetes door problematische schulden niet kunnen betalen, krijgen per 01-04-2020 meer ademruimte dankzij een noodstopprocedure bij het CJIB. De noodstop geldt voor verkeersboetes en strafrechtelijke geldelijke sancties (boetes van de rechter of het OM) en ziet er als volgt uit:

- Mensen die door schulden hun boete niet kunnen betalen, en waarbij geen uitzicht bestaat op betaling, kunnen een noodstop van maximaal 4 maanden krijgen.

- Het CJIB schort de inning dan op en er worden geen nieuwe verhogingen opgelegd.

- De persoon die de noodstop krijgt, moet bij de gemeente schuldhulpverlening aanvragen. Bij de start van deze hulp kan de noodstop met 8 maanden worden verlengd.

- De boete wordt na de noodstop (in termijnen) afbetaald.

- De noodstop kan worden beŽindigd als afspraken niet worden nagekomen.

De noodstopprocedure is ontwikkeld door het Rijk, CJIB, VNG, Divosa, NVVK en 6 gemeenten.

 

Veel starters

In 2019 zijn er ruim 270.000 bedrijven gestart, aldus Graydon: +6% j-o-j. Het aantal faillissementen steeg met 4%, terwijl het aantal bedrijven dat om andere redenen staakten daalde met 2,3%. In 2019 kwamen er bijna 145.000 Nederlandse bedrijven bij: + 14% j-o-j. De grootste netto-groei was bij de Zakelijke dienstverlening, Bouwnijverheid en de Groot- en detailhandel.

 

Contract na de WW

In 2018 was ruim 2/3 van de mensen na het beŽindigen van de WW-uitkering binnen 1 maand weer aan het werk, waarvan bijna 50% met een tijdelijk contract, bijna 30% met een uitzendcontract, 12% met een vast contract, 6% als oproepkracht en 3% als zelfstandige. Het aandeel tijdelijke contracten na de WW is sinds 2016 licht gestegen, terwijl uitstroom naar uitzendwerk iets is afgenomen.

Het type contract na de WW is vaak gelijk aan het type contract voor de WW. Ook een jaar na uitstroom uit de WW is er niet veel verandering. De grootste groep heeft een jaar later hetzelfde type contract als direct na uitstroom uit de WW. De doorstroom van flex naar vast is beperkt.

UWV, Contract na de WW

 

Aanvullend geboorteverlof

Vanaf 01-07-2020 kan een werknemer aanvullend geboorteverlof van max. 5 weken aanvragen. Het verlof moet binnen 6 maanden na de geboorte plaatsvinden. Voor het aanvullend geboorteverlof gelden 3 voorwaarden:

1. Het kind is geboren op of na 01-07-2020.

2. De werknemer is de partner van de moeder van het kind.

3. De werknemer heeft eerst het standaard geboorteverlof opgenomen.

De werkgever kan het aanvullend geboorteverlof aanvragen via het werkgeversportaal of DigiPoort. Dit kan vanaf de geboorte tot max. 4 weken voordat het verlof ingaat. Tijdens het verlof ontvangt de werknemer 70% van het dagloon. Het UWV betaalt deze uitkering in 1 keer aan de werkgever uit.

Het aanvullend geboorteverlof geldt niet bij werkloosheid, bij een vrijwillige verzekering en voor zelfstandigen.

 

WAB: WW-premie naar type contract

Sinds 01-01-2020 betalen werkgevers een lagere WW-premie voor werknemers met een vast contract dan voor werknemers met een flexibel contract. De sectorpremie is vervallen.

De werkgever betaalt de lage WW-premie als:

- De werknemer een contract heeft voor onbepaalde tijd dat voor 01-01-2020 is afgesproken en uiterlijk 31-03-2020 schriftelijk is vastgelegd. Het geldt niet voor oproepovereenkomsten.

- De werknemer onder de 21 jaar is en maximaal 48 uur (per aangiftetijdvak van 4 weken) of 52 uur (per aangiftetijdvak van een kalendermaand) verloond heeft gekregen.

- Hij een leerling in dienst heeft die de Beroeps Begeleidende Leerweg (BBL) volgt. De overeenkomst met de BBL-leerling moet voorzien zijn van een dagtekening en zijn opgenomen in de administratie van de werkgever;

- De werkgever een uitkering werknemersverzekeringen (WW, ZW, WIA, WAO, WAZO) betaalt als werkgeversbetaling of als eigenrisicodrager. Over dit deel van de betaling aan de werknemer is de werkgever dan de lage WW-premie verschuldigd.

De hoge WW-premie geldt voor alle andere dienstverbanden, zoals de overeenkomst voor bepaalde tijd en de oproepovereenkomst. De hoge WW-premie is 5%-punt duurder dan de lage. SZW stelt de premiepercentages jaarlijks vast. In 2 gevallen is met terugwerkende kracht alsnog de hoge WW-premie van toepassing:

- Als de arbeidsovereenkomst uiterlijk 2 maanden na aanvang van de dienstbetrekking eindigt;

- Als er in een kalenderjaar 30% meer uren verloond zijn dan in de arbeidsovereenkomst is vastgelegd. Bijv. als de werknemer een contract heeft voor 20 uur p.w., maar gemiddeld 32 uur p.w. werkt.

 

Werkloosheid

Het aantal mensen met betaald werk steeg in de afgelopen 3 maanden met 21.000 per maand. Het zijn er nu 9,1 mln. Het aantal werklozen daalde in de afgelopen 3 maanden met 13.000 per maand naar 284.000. 3% is nu werkloos, aldus het CBS. 4 mln mensen hebben geen betaald werk. Naast werklozen gaat het om 3,7 mln mensen die geen werk zoeken en/of niet direct voor werk beschikbaar zijn. Zij worden niet tot de beroepsbevolking gerekend.

UWV verstrekt 241.000 lopende WW-uitkeringen: -13,5% j-o-j. Eind januari 2020 ontvingen 236.000 personen ten minste 1 WW-uitkering.

 

Veranderingen partneralimentatie

Per 01-01-2020 is de partneralimentatie veranderd: de duur is flink verlaagd en de fiscale aftrekbaarheid gaat omlaag. Het leidt tot grote gevolgen voor de ontvanger en de betaler.

Als een van de exen na echtscheiding zichzelf niet zelfstandig kan onderhouden, kan aanspraak worden gemaakt op partneralimentatie. Of die kan worden vastgesteld, hangt af van de financiŽle draagkracht van de andere ex, waarbij kinderalimentatie altijd voor gaat. De maximale partneralimentatie termijn van 12 jaar is nu nog: 50% van de duur van het huwelijk, maar maximaal 5 jaar. Hierop zijn uitzonderingen wanneer 1) de kinderen jonger zijn dan 12 jaar, 2) er sprake is van een huwelijk van minimaal 15 jaar, waarbij de alimentatiegerechtigde binnen 10 jaar recht krijgt op AOW of 3) er sprake is van een huwelijk van minimaal 15 jaar en de alimentatiegerechtigde geboren is op of vůůr 01-01-1970.

Per 01-01-2020 daalt de fiscale aftrek voor partneralimentatie (max. 51,7%) stapsgewijs naar 37,05% in 2023.

vFAS, EnquÍte wet herziening partneralimentatie

 

 


Marktpartijen in Ďt nieuws

 

Goudse koopt Hofstaete

De Goudse heeft Hofstaete overgenomen. Hofstaete is de ontwikkelaar van het verzekeringsplatform HIP Next – Hofstaete Internet Platform voor efficiŽntere verzekeringsstromen.

 

Aegon uit leven

Aegon Nederland stopt met de verkoop van individuele levensverzekeringen. Reden: deze producten zijn verliesgevend door gebrek aan vraag doordat de verzekering niet meer verplicht is bij een hypotheek. Met een individuele levensverzekering dek je het financiŽle risico van overlijden af bij het aangaan van een grote financiŽle verplichting, zoals een hypotheek. Voor bestaande klanten met een individuele levensverzekering of orv bij Aegon verandert niets. Voor orv's verwijst Aegon voortaan exclusief naar Hera Life waarmee Aegon "samen (wil) groeien naar een leidende positie o.h.g.v. overlijdensrisico- en inkomensverzekeringen". Aegon heeft een belang van 35% in Hera Life.

 

Santander terug met Openbank

Santander, de grootste bank van Spanje, wil via Nederland met de onlinebank Openbank de eurozone veroveren. Als lokkertje biedt de bank de eerste 6 maanden 2% rente en daarna 0,01%. Wie een deel al dan niet geautomatiseerd gaat beleggen, krijgt over het restant spaargeld 0,2% rente. In de startfase richt Openbank zich vooral op vermogensbeheer voor consumenten.

Openbank schermt met rendementen vanaf 5% via een ’robo advisor’ via Santander en vermogensbeheerders als BlackRock en Robeco.

Het verdienmodel van de gratis app van Openbank met betaaldiensten zoals Apple Pay en Fitbit Pay zit in de verkoop van aanvullende producten. Uiteindelijk wil de internetbank de volledige dienstverlening uit Spanje uitrollen in Nederland; van hypotheken en verzekeringen tot een marktplaats voor kortingen.

Met 1,3 miljoen klanten en €10 mld aan activa op de balans is Openbank een winstgevende divisie voor Santander. Santander was de enige van het bankentrio (RBS en Fortis) dat verdiende aan de overname van ABN Amro in 2007.

De Nederlandse consumentenmarkt is lastig voor nieuwe internetbanken. Het Duitse N26 zit na 2 jaar pas op 100.000 Nederlandse particuliere klanten, het Britse Revolut op 80.000. Bunq, sinds 2015, maakt geen cijfers bekend. Knab, sinds 2012, heeft 650.000 klanten.

 

Ook Rabobank

Na ING en ABN gaat ook Rabobank 0,5% spaarrente heffen vanaf €1 mln. Particulieren met een saldo tot €1 mln blijven 0,01% rente ontvangen.

Zakelijke klanten behouden voor bedragen t/m €100.000 een rente van 0,01%; tussen de €100.000 en €1 mln 0% rente en boven de €1 mln betalen ze 0,5%. Per rekening.

 

Crťdit Agricole stopt doorlopend krediet

Crťdit Agricole (m.n. Interbank) zegt per 01-05-2020 alle doorlopende kredieten op en heeft een pot van €90 mln om klanten te compenseren voor te hoge rentes op leningen. De bank reageert hiermee op de uitspraak van het Kifid. Volgens Stichting Geldbelangen (Rob Goedhart) hebben consumenten ten minste €500 mln teveel aan rente betaald en gemiddeld €9.000. Het zou gaan om 100.000 gedupeerden.

 

CZ in strijd met privacywet

De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) oordeelt dat CZ bij machtingsaanvragen in strijd handelde met de privacywet. CZ verwerkte voor de beoordeling van aanvragen voor een vergoeding van revalidatiezorg in 12 gevallen meer medische gegevens dan noodzakelijk is. Het gaat om verzekerden die revalidatiezorg nodig hadden. De AP heeft CZ hiervoor een last onder dwangsom opgelegd.

Voor de vergoeding vereist CZ een voorafgaande akkoordverklaring (machtigingsvereiste). Aan die akkoordverklaring kan CZ aanvullende voorwaarden stellen. De 12 verzekerden vinden dat CZ voor de beoordeling van hun aanvragen voor revalidatiezorg te veel (bijzondere) persoonsgegevens heeft verwerkt.

De AP oordeelt dat CZ in strijd met de privacywet bij 4 verzekerden meer medische gegevens over hun behandeling verwerkte dan noodzakelijk was voor de beoordeling van hun aanvragen. Volgens de AP heeft het beleid van CZ in de hand gewerkt dat meer persoonsgegevens werden verstrekt dan noodzakelijk was voor dergelijke beoordelingen.

CZ heeft tegen het besluit van de AP beroep ingesteld. Wel heeft CZ de bewuste gegevens van de 12 verzoekers uit haar systemen verwijderd en een beleidsdocument voor machtigingsaanvragen is van de website verwijderd. CZ zal bij de beoordeling van machtigingsaanvragen voor medisch-specialistische revalidatie (zonder opname) van geval tot geval nagaan of aanvullende gegevens nodig zijn. Uitgangspunt daarbij is de informatie die noodzakelijk is volgens het beroepskader en het standpunt van Zorginstituut Nederland.

 

Blackstone wil NIBC

Investeringsfonds Blackstone wil NIBC kopen voor €1,5 mld: €9,85 per aandeel. De huidige 2 grootaandeelhouders JC Flowers (63,4%) en Reggeborgh (14,5%) vinden dat een goed bod. NIBC werd in 1945 opgericht als Herstelbank die de wederopbouw van Nederland moest financieren. Begin jaren '70 werd het een Investeringsbank om het industriebeleid aan te jagen.

Tot 2004 had de overheid een belang van 15% in de bank en hadden de pensioenfondsen ABP en PGGM een meerderheidsbelang. In 2005 nam opkoopfonds (private equity) JC Flowers de aandelen over. Dat wilde de aandelen in 2008 verkopen, maar de crisis gooide roet in het eten. Ook NIBC moest toen aankloppen voor overheidssteun in de vorm van gegarandeerde obligaties.

In 2018 bracht NIBC weer een deel van de aandelen naar de beurs. De bank is gespecialiseerd in financiering van bedrijven en commercieel vastgoed. Ook is NIBC een felle speler op de spaar- en hypotheekmarkt. NIBC is ook actief in BelgiŽ, Duitsland en Verenigd Koninkrijk.

 

ABN schikt bij euribor-hypotheken

ABN Amro schikt met klanten die jarenlang te veel hypotheekrente hebben betaald in een schikking met belangenstichting Euribar. Het gaat om euribor-hypotheken, afgesloten tussen 2005 en 2009. Het zijn variabele hypotheken waarbij de rente meebeweegt met de euribor. Een groep klanten vindt dat de bank ten onrechte de renteopslag had verhoogd, waardoor ze te veel betaalden. ABN Amro gaat ruim 62% van de opslagverhogingen terugbetalen. In rechtszaken wonnen de klanten, maar ABN behaalde in hoger beroep een overwinning bij de Hoge Raad. Die oordeelde dat een beoordeling door het gerechtshof moest worden overgedaan.

 

Montae & Partners koopt LNBB

Montae & Partners lijft LNBB Actuarissen en Pensioenconsultants in. De naam LNBB verdwijnt. Montae & Partners (pensioen, governance, risk, zorg, ao & verzuim) ontstond eind vorig jaar uit een fusie tussen Montae en Floreijn en participeert sinds 2017 in SŲderberg & Partners.

 

 


Uitspraken Kifid / rechter

 

Uitspraken Kifid / rechter

Selectie van uitspraken van het Kifid en de (tucht)rechter die wij opvallend of juist typerend vinden voor de financiŽle dienstverlening. Wij anonimiseren de namen van de financials, tenzij vermelding van de naam toegevoegde waarde heeft.

 

Kifid over wel/geen advies

Een consument stelt dat het door de bank verplicht gestelde advies nauwelijks afwijkt van wat hem in oriŽntatierapporten is verteld en wil de €925 advieskosten terug. Oordeel Kifid: “Het klachtonderdeel gericht op de kwaliteit van het advies kan niet tot toewijzing van de vordering leiden. Naast het feit dat dit door de Bank gemotiveerd is weersproken, is ook overigens niet gebleken dat de Bank tekort is geschoten en niet gehandeld zou hebben als een redelijk handelend en redelijk bekwaam adviseur.”

Consument wilde zijn hypotheek verhogen met behoud van het bestaande bankspaarleningdeel en daarom was er bij de financieringsaanvraag advies vereist. De consument betwijfelde de toegevoegde waarde van het advies. Dit advies week - op 1 punt na - nauwelijks af van de oriŽntatierapporten. Het afwijkende onderdeel betrof het verkrijgen van een duurzaamheidskorting, waarover juist geen advies was verstrekt; de korting is verkregen nadat de consument dit zelf had ontdekt. Kifid wijst de vordering af.

Kifid, Uitspraak-2020-155

 

Kifid over achterblijvende winstdeling en offertetekst

Een Consument heeft een levensverzekering met winstdeling ter aflossing van de hypotheek. Door achterblijvende winstontwikkelingen is de uitkering lager dan de hypotheeksom. Consument vordert vergoeding van dit verschil.

Kifid: De Offerte is het stuk op basis waarvan Consument zijn wil heeft bepaald om de Verzekering te sluiten. In de offerte staan - zonder voorbehoud - bewoordingen als “De aflossing van de hypotheek wordt gerealiseerd middels de uitkering van de levensverzekering” en “Bij overlijden tijdens de looptijd komt een uitkering beschikbaar, waarmee de hypotheek kan worden afgelost. Uw gezin kan derhalve in het huis blijven wonen zonder dat daarvoor nog betalingen verricht moeten worden.” Kifid oordeelt dat Consument er redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat met de uitkering uit hoofde van de Verzekering de (resterende) Geldlening geheel zou worden afgelost. Dat vertrouwen wordt bevestigd door de brief van de Bank van 02-05-1989 waarin ook zonder voorbehoud staat dat de aflossing van de Geldlening wordt gerealiseerd middels de uitkering uit hoofde van de Verzekering. Aangezien de Offerte is opgesteld door een adjunct-inspecteur van Verzekeraar kunnen de bewoordingen worden toegerekend aan Verzekeraar en is Verzekeraar jegens Consument toerekenbaar tekort geschoten door op de einddatum van de Verzekering een lager bedrag uit te keren dan Consument o.g.v. de Offerte mocht verwachten.

O.g.v. zijn toerekenbare tekortkoming jegens Consument moet Verzekeraar de als gevolg daarvan door Consument geleden schade vergoeden o.g.v. art. 6:74 lid 1 - BW. Het bestaan en de omvang van de schade dient te worden vastgesteld door een vergelijking te maken tussen de feitelijke situatie (de gedane uitkering uit hoofde van de Verzekering) na het tekortschieten en de situatie waarin Consument zou hebben verkeerd als Verzekeraar niet zou zijn tekortgeschoten (met de uitkering uit hoofde van de Verzekering zou de lening worden afgelost). Kan de omvang van de schade niet nauwkeurig worden vastgesteld, dan wordt zij geschat (art. 6:97 2de zin BW).

Per einddatum is €146.107 uitgekeerd terwijl €192.856 nodig was om de lening af te lossen. Maar een gegarandeerd bedrag van €192.856 betekent ook een hogere premie die voor rekening van Consument zou zijn gekomen. Het verschil tussen het vereiste aflosbedrag en het uitgekeerde bedrag vermeerderd met het bedrag dat Consument mťťr aan premie had moeten betalen is de schade die Consument heeft geleden. Kifid begroot dat verschil op €9.000.

Kifid concludeert dat Consument er op mocht vertrouwen dat met de uitkering uit de verzekering de geldlening zou worden afgelost en wijst de vordering toe.

Kifid, Uitspraak 2020-114

 

Kifid over vermelden van kosten

Het vermelden van de kosten van de ORV hoort bij passend advies. Kifid: “Een passende advisering omtrent het afsluiten van een ORV brengt mee dat bij een advisering over het wel of niet afsluiten van een dergelijke verzekering ook de aan die verzekering verbonden kosten worden meegedeeld. Het nalaten daarvan vormt dan ook in beginsel een tekortschieten in het adviseren. ... Er zijn echter situaties waarin van tekortschieten geen sprake is, bijv. wanneer de adviseur uit mededelingen van de persoon, die hij adviseert, duidelijk heeft kunnen opmaken dat deze al genoegzaam kennis draagt van de kosten en hij, ook al weet hij dat deze kosten niet hoog zijn en hem de risico’s van het niet afsluiten van de verzekering bekend zijn, toch te kennen geeft de betrokken verzekering niet te willen afsluiten. Onder dergelijke omstandigheden schiet de adviseur niet tekort door niet nog eens de kosten onder de aandacht brengen. Een en ander is door de betrokken adviseur aan te tonen.”

Het onvermeld laten van de kosten is een tekortschieten in de advisering, maar is onvoldoende grond voor het toewijzen van een schadevergoeding aan Consument. “Consument stelt dat, indien in maart 2013 door de Bank melding van de kosten van een ORV zou zijn gemaakt, er zeker een dergelijke verzekering zou zijn afgesloten. Die stelling is door de Bank bestreden en vormt in het licht van na te noemen omstandigheden een onvoldoende onderbouwde stelling. Consument en haar echtgenoot hebben tot 2010 via de Bank een ORV gehad. Zij waren, zo mag worden aangenomen, derhalve in 2013 met dit type verzekering bekend en ook, althans ten minste globaal, met de daaraan destijds verbonden kosten. Ook toen hadden zij, zij het bij een andere bank, een geldlening ter grootte van de in maart 2013 bij de Bank afgesloten geldlening. Verder valt ook aan te nemen dat zij ook toen bekend waren met de risico’s die zij liepen met het niet hebben van een ORV. Onder deze omstandigheden valt in redelijkheid te betwijfelen of er door Consument en haar echtgenoot een ORV zou zijn afgesloten, indien de Bank bij de advisering van de kosten van de ORV melding zouden hebben gemaakt. M.n. is niet duidelijk gemaakt waarom Consument en haar echtgenoot in 2013 een andere beslissing zouden hebben genomen dan zij in 2010 hebben gedaan.”

De partner van de klagende consument vond OR-dekking niet nodig toen de hypotheek in 2013 werd overgesloten. 5 jaar later verongelukte hij en ging zijn vrouw er financieel enorm op achteruit.

Kifid, uitspraak 2020-006

 

Kifid over hypotheekadvies

Consument ging naar een Adviseur voor de financiering van een bedrijfspand en eist een schadevergoeding omdat de Adviseur onjuiste verwachtingen heeft gewekt over het verkrijgen van een financiering.

Op 07-06-2018 nam Consument contact op met de Adviseur vanwege de financiering van een aangekocht pand. Vier dagen later, op 11-06-2018, kreeg de Adviseur de koopakte. Toen werd voor de Adviseur duidelijk dat het een bedrijfspand was. De Adviseur meldde Consument dat hij hem wel kan adviseren, maar dat hij niet kan bemiddelen bij de financiering ervan. Daarop gaf Consument aan bezig te zijn met het verkrijgen van een woonvergunning voor het pand.

Vijf maanden later, op 17-11-2018, verstrekte de gemeente de woonvergunning voor het aangekochte pand en diende de Adviseur de financieringsaanvraag bij de geldverstrekker in.

Consument vindt dat de Adviseur niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend adviseur ... mag worden verwacht. Door aan te geven dat de financieringsaanvraag ‘gaat lukken’ als de woonvergunning wordt verkregen, gaf hij Consument de onjuiste veronderstelling dat de financiering verstrekt zou worden. De benodigde inkomensgegevens waren op het moment van deze mededeling in het bezit van de Adviseur.

Kifid overweegt dat de Adviseur onjuist heeft gehandeld door de verwachting te wekken dat de financiering haalbaar was mits de woonvergunning zou worden verstrekt zonder dat hij de inkomensgegevens aandachtig had beoordeeld. Dat Consument had aangegeven dat zijn inkomsten al jaren constant zijn, doet daar niet aan af. Kifid oordeelt dat de Adviseur zijn zorgplicht heeft geschonden en om die reden toerekenbaar is tekortgeschoten jegens Consument.

Consument eist schadevergoeding waarvan €25.000 voor de verminderde opbrengst van de door hem verkochte woning. De toenmalige woning van Consument stond echter al te koop voordat hij in zee ging met de Adviseur. Op 14-06-2018, daags na de mededeling van de Adviseur over de haalbaarheid van de financiering, tekende Consument de verkoopovereenkomst. Die keuze was aan Consument zelf. Hij heeft niet onderbouwd waarom hij zijn woning toen voor een, volgens hem, te laag bedrag heeft verkocht, noch heeft hij het bedrag van €25.000 onderbouwd. Eis afgewezen.

Consument eist €10.500 voor de borgsom voor de koop van het pand. Uit de koopovereenkomst blijkt dat Consument het pand heeft aangekocht op 29-05-2018, daags vůůr de mededeling van de Adviseur over de haalbaarheid van de financiering. De borgsom van €10.500 is al in deze koopovereenkomst opgenomen. Kifid overweegt daarom dat de mededeling van de Adviseur niet tot deze kosten heeft geleid en wijst deze eis af.

Consument eist €2.480,50 voor de kosten van het ingenieursbureau voor het verkrijgen van een woonvergunning voor het pand. Kifid overweegt dat Consument op 11-06-2018, daags voor de mededeling van de Adviseur, heeft aangegeven bezig te zijn met het verkrijgen van een woonvergunning op het bedrijfspand. Consument heeft niet onderbouwd dat hij deze kosten anders niet had gemaakt. Kifid overweegt daarom dat de mededeling van de Adviseur niet tot deze kosten heeft geleid en wijst deze eis af.

Consument eist €4.607,50 voor interieurkosten. Kifid oordeelt dat de Adviseur de verwachting heeft gewekt dat met het verkrijgen van een woonvergunning de financiering zou worden verstrekt. Deze kosten zou Consument niet hebben gemaakt als de Adviseur niet de onjuiste verwachting had gewekt. Kifid overweegt dat deze kosten voor rekening en risico van de Adviseur dienen te komen.

Ter zitting gaf Consument aan dat, hoewel de Adviseur geen voorbehoud had gemaakt, hem in het algemeen duidelijk was dat een geldverstrekker akkoord moet geven voor een aangevraagde financiering, hij heeft echter al kosten gemaakt voordat hij een overeenkomst had met een geldverstrekker. Gelet op deze feiten en omstandigheden oordeelt Kifid dat er voor 50% sprake is van eigen schuld bij Consument.

Kifid beslist dat de Adviseur aan Consument vergoedt een bedrag van €2.303,75, met rente gelijk aan de wettelijke rente vanaf 20-11-2018 tot aan de dag van algehele voldoening.

 

Zelfde uitspraak, andere kwestie: mondelinge opdracht

Een overeenkomst van opdracht kan mondeling tot stand komen, zo oordeelt Kifid: “Weliswaar is het contact over de financieringswens van Consument begonnen vanuit een vriendschappelijke band…, echter de Adviseur heeft de rol van adviseur en bemiddelaar op zich genomen. Daarbij is voor de Commissie vast komen te staan dat de Adviseur handelde vanuit zijn beroep of bedrijf. Ter zitting heeft de Adviseur verklaard dat een fee van €2.000 was overeengekomen als het tot een geslaagde bemiddeling zou leiden. De Adviseur heeft bij Consument stukken opgevraagd, deze beoordeeld en hij heeft een aanvraag ingediend bij de geldverstrekker.

Hoewel geen sprake is van een ondertekende, schriftelijke overeenkomst van opdracht, oordeelt de Commissie dat de rechtsverhouding tussen partijen door de omstandigheden van het geval als een overeenkomst van opdracht dient te worden gekwalificeerd. Hierbij geldt namelijk dat een dergelijke overeenkomst ook mondeling tot stand kan komen.”

Kifid, Uitspraak-2020-108

 

Kifid over zorgplicht

Het al dan niet herstellen van de schadevrije jaren (en daarmee de no-claimkorting) ligt niet binnen de invloedssfeer van de tussenpersoon. Tussenpersoon X heeft de consument geÔnformeerd over het bedrag dat zij moest betalen om haar schadevrije jaren en daarmee de no-claimkorting te herstellen. Later bleek dat zij meer moest betalen. De vrouw vindt dat zij met de tussenpersoon overeenstemming had bereikt over het te betalen bedrag en het herstel van de schadevrije jaren. Kifid oordeelt anders. Los daarvan vindt Kifid dat de consument geen schade heeft geleden, omdat zij niet in een slechtere positie is gekomen dan wanneer zij direct juist was geÔnformeerd. Wel vindt Kifid dat "tussenpersoon onvoldoende zorg heeft betracht bij het verstrekken van informatie". Kifid wijst de vordering af, maar verzoekt Tussenpersoon om zijn voorstel tot inleveren van zijn provisie gestand te doen".

Kifid, Uitspraak-2020-074

 

Kifid over rente doorlopend krediet

De rente op doorlopend krediet moet gedurende de looptijd in de pas blijven met de relevante marktrente, zo oordeelt Kifid (Commissie van Beroep, CvB). De einduitspraak tegen Interbank hangt samen met eerder tussenuitspraken CvB 2019-005 en CvB 2019-005A.

Het gaat over de rentetarieven voor een doorlopend krediet bij Interbank. In tussenuitspraken concludeerde de CvB dat consumenten mogen verwachten dat de rente op hun doorlopend krediet gedurende de looptijd in de pas zal blijven met de relevante marktrente. Bij het aangaan van een doorlopend krediet kan de bank een lagere of hogere kredietvergoeding hanteren dan de gemiddelde marktrente. Op dat moment wordt de prijs van het doorlopend krediet bepaald. Met het sluiten van de kredietovereenkomst stemt de consument in met het aangeboden rentetarief. Daarmee is ook het verschil vastgelegd tussen de individuele kredietvergoeding en het gemiddelde rentetarief in die markt, aldus de CvB. De bank is gehouden om dat verschil te handhaven en zo het rentetarief gedurende de looptijd in de pas te laten lopen met de marktrente. Interbank moet het rentetarief voor het doorlopend krediet aan deze consument opnieuw berekenen voor de periode vanaf 01-01-2005. Het verschil tussen het rentetarief op 01-01-2005 en de referentierente op 01-01-2005 dient de bank gedurende de looptijd te handhaven.

In de uitspraak van januari 2019 over rentetarieven voor doorlopend krediet heeft de CvB geconcludeerd dat de DNB-rentereeks zoals gepubliceerd vanaf 01-07-2010 dient als referentie voor de marktrente. Voor de periode tot 01-07-2010 was er onderzoek nodig naar de gemiddelde rente op doorlopende kredieten voor consumenten. Op verzoek van Kifid en met instemming van betrokken consument en bank hebben onafhankelijk deskundigen onderzocht wat als referentie voor de marktrente kan gelden in de periode tot juni 2010. Het onderzoek wijst uit dat voor de periode van 01-01-1998 tot 01-07-2010 de CBS-rentereeks het uitgangspunt kan zijn voor de referentierente. Dit is een voor consumenten toegankelijke en eenvoudig te gebruiken referentierente, zo blijkt uit het deskundigenrapport. De CBS-rentereeks volgt dezelfde trend als de DNB-rentereeks. Wel is op 01-07-2010 de gemiddelde CBS-rente 0,91%-punt hoger dan de DNB-rente. De CvB vindt het niet rechtvaardig om voor de referentierente een verschil te maken tussen doorlopend krediet dat is afgesloten voor of vanaf 01-07-2010. Zij concludeert dat de CBS-rentereeks moet worden gecorrigeerd, zodat deze aansluit bij de DNB-rentereeks. Voor doorlopend krediet afgesloten vůůr 01-07-2010 wordt de marktrente daarom vastgesteld a.d.h.v. de CBS-rentereeks met een aftrek van 0,91%-punt.

Kifid heeft nog tientallen soortgelijke klachten in behandeling. Bij de beoordeling hiervan houdt Kifid vast aan de lijn van deze einduitspraak van de CvB.

Kifid, Uitspraak-2019-005B

T.P. Kocken, R. Lord en A.M.H. Slager, Deskundigenrapportage

Kifid over ontvangst brief

Consument stelt dat hij een brief van de bank met een renteverlengingsvoorstel niet heeft ontvangen. Kifid overweegt dat het aan de afzender (de Bank) is om aan te tonen dat de geadresseerde (Consument) de brief ontvangen heeft. En volgens Kifid heeft de Bank dat niet kunnen aantonen. Op 24-10-2017 verstuurde de Bank een brief met een renteverlengingsvoorstel naar het adres van Consument. Bijna 4 maand later, op 13-02-2018, verstuurde de Bank een brief naar de Consument om de nieuwe maandlast per 01-02-2018 te bevestigen.

Partijen twisten over de vraag of Consument het renteverlengingsvoorstel van 24-10-2017 ontvangen heeft, dan wel dat dit voorstel wordt geacht te zijn ontvangen.

Het antwoord op deze vraag is van belang voor de vraag of het renteverlengingsvoorstel werking heeft gehad – en daarmee uiteindelijk voor de vraag of de Bank toerekenbaar is tekortgeschoten. De Bank moet namelijk een renteverlengingsvoorstel uitbrengen. Hierin ligt besloten de eis dat het renteverlengingsvoorstel werking heeft. Immers, als het renteverlengingsvoorstel geen werking heeft, dan kan het ook niet (stilzwijgend) aanvaard worden. Of en wanneer een verklaring werking heeft, wordt geregeld in art. 3:37 lid 3 - BW: “Een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring moet, om haar werking te hebben, die persoon hebben bereikt. Nochtans heeft ook een verklaring die hem tot wie zij was gericht, niet of niet tijdig heeft bereikt, haar werking, indien dit niet of niet tijdig bereiken het gevolg is van zijn eigen handeling, van de handeling van personen voor wie hij aansprakelijk is, of van andere omstandigheden die zijn persoon betreffen en rechtvaardigen dat hij het nadeel draagt.”

O.g.v. art. 3:37 lid 3 BW heeft het renteverlengingsvoorstel pas werking indien het Consument bereikt heeft – d.w.z. indien Consument het renteverlengingsvoorstel ontvangen heeft. Indien ontvangst betwist wordt, is het aan de Bank om feiten of omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen dat het door haar verzonden renteverlengingsvoorstel bij Consument is aangekomen. Het is niet voldoende dat de Bank de verzending (naar het goede adres) bewijst. De bank moet ook aantonen dat haar bericht ook op dat adres is aangekomen. Overigens heeft Consument in dit geval meer gedaan dan ‘bloot’ de ontvangst betwisten. Consument heeft ook aangevoerd dat er sprake is van een onlogische volgorde van de huisnummers ([nummer], [nummer]-1, [nummer]-2, [nummer]a, [nummer]b en [nummer]c) en dat de post daarom wel vaker niet (tijdig) aankomt. Volgens Kifid is dit een voldoende gemotiveerde betwisting van de ontvangst van de brief met het renteverlengingsvoorstel en is het daarom aan de Bank om te bewijzen dat Consument het renteverlengingsvoorstel wťl ontvangen heeft.

De Bank heeft niet kunnen aantonen dat het renteverlengingsvoorstel Consument tijdig bereikt heeft. Hierdoor heeft het renteverlengingsvoorstel geen werking o.g.v. art. 3:37 lid 3 BW. Kifid wijst de vordering van Consument daarom toe.

Kifid over zorgplicht gevolmachtigde

Consument heeft via een tussenpersoon (ATP) een hypotheek en een spaarverzekering met overlijdensdekking afgesloten. De ATP ging failliet. Consument vindt dat gevolmachtigde voor verzekeraar X hem erop had moeten wijzen dat de premie voor de overlijdensrisicodekking voordeliger kan.

Ten tijde van het afsluiten van de hypotheek en de spaarverzekering heeft ATP Consument advies gegeven en bemiddeld bij het afsluiten van deze producten. Een ATP heeft een zorgplicht o.b.v. art. 7:401 - BW. In een eerdere uitspraak (2019-625) oordeelde Kifid dat er op de ATP – onder bepaalde omstandigheden – een zorgplicht rust om zijn klanten te attenderen op de ontwikkeling van de dalende premie van overlijdensrisicoverzekeringen.

Door het faillissement van ATP kan Consument zich niet meer tot hem wenden. Het is inherent aan een faillissement dat er geen verhaalsmogelijkheid meer is. Het faillissement van ATP heeft niet automatisch tot gevolg dat diens schulden en verplichtingen door een andere partij worden overgenomen. Daarom is de zorgplicht van ATP niet op gevolmachtigde overgegaan.

Anders dan bij een ATP rust op een gevolmachtigde (van verzekeraar) geen zorgplicht zoals genoemd in art. 7:401 - BW. Gevolmachtigde heeft in die hoedanigheid niet de verplichting om overeenkomstig de uitspraak 2019-625 Consument tussentijds te informeren over de ontwikkelingen m.b.t. de hoogte van de overlijdensrisicoverzekering. Voorts ligt het, anders dan Consument stelt, ook niet op de weg van gevolmachtigde om Consument te informeren over het faillissement van ATP.

De Commissie wijst de vordering van Consument af.

Kifid, Uitspraak-2020-125

 

Kifid over passend advies

Consument verwijt haar adviseur dat hij haar ten onrechte een WIA-verzekering heeft geadviseerd. Ook heeft hij tijdens de looptijd geen contact met consument opgenomen over haar situatie. De Belastingdienst merkt consument aan als zelfstandige. Consument vindt dat de adviseur haar een AOV had moeten adviseren en dat de WIA-verzekering bij arbeidsongeschiktheid geen dekking had geboden. Daarvoor bestaat een wetsartikel (art. 7:938 lid 1 - BW): De premie kan worden teruggevorderd als Consument en verzekeraar geen enkel risico hebben gelopen. Maar dat artikel is alleen van toepassing tussen Consument en verzekeraar. Bovendien is volgens dat artikel nodig dat ook Consument geen enkel risico heeft gelopen. Dat heeft zij wel, namelijk het risico dat zij arbeidsongeschikt zou worden. Daarom kan de eis van Consument tot terugbetaling van de premie alleen worden toegewezen als die eis wordt opgevat als een eis tot schadevergoeding.

Dan is nodig dat Consument schade heeft geleden. Om dat vast te stellen moet een vergelijking worden gemaakt tussen de werkelijke situatie waarin zij premie betaalde voor de WIA-verzekering en de hypothetische situatie waarin zij zich had bevonden als haar een ander advies was gegeven.

Die hypothetische situatie is dat Consument – die naar eigen zeggen dekking wenste tegen arbeidsongeschiktheid – een AOV had afgesloten. De AOV-premie zou, gezien het verzekerde risico, hoger dan de premie voor de WIA-verzekering zijn geweest. Dit wordt door Consument niet betwist. Ook voerde Consument op de zitting aan dat zij de premie voor de WIA-verzekering als aftrekpost voor de IB heeft opgevoerd. Hieruit volgt dat wanneer wel (tussentijds) een AOV i.p.v. een WIA-verzekering was geadviseerd, Consument meer premie kwijt zou zijn geweest ... Daarom heeft Consument a.g.v. de door haar veronderstelde zorgplichtschending geen schade geleden

Kifid oordeelt dat consument geen schade heeft geleden. Wanneer consument namelijk wel een AOV had afgesloten, dan was haar premie hoger geweest. Kifid komt niet toe aan de vraag of de adviseur zijn zorgplicht heeft geschonden. Kifid wijst de vordering van consument af.

Kifid, Uitspraak 2020-135

 

Kifid over verzwijgen opzegtermijn

Bij het afsluiten van een verzekering hebben verzekeraar en tussenpersoon verzuimd om de consument te wijzen op het recht om de verzekering binnen 2 weken schriftelijk op te zeggen. De verzekeraar en de tussenpersoon zijn op dit punt tekort geschoten. Maar de consument is hierdoor niet daadwerkelijk benadeeld, concludeert Kifid in 2 uitspraken. Kifid: "De consument had volgens de Riav 1994 op zijn opzegrecht gewezen moeten worden. ... De consument heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat hij van de opzegtermijn gebruik zou hebben gemaakt als hij wel op de hoogte was geweest (en) ... heeft ook niet geprotesteerd tegen de in de voorwaarden vermelde kosten." Kifid concludeert dat de tekortkoming niet heeft geleid tot schade voor de consument.

Kifid, Uitspraak-2020-163

Kifid, Uitspraak-2020-164

 

Rechter over onjuiste informatie

De koper van een huis beklaagt zich bij de makelaar vanwege een onjuiste oppervlakte in de brochure. Een deskundige stelt vast dat het woonoppervlak kleiner is, maar dat de betaalde koopprijs binnen de marge van de marktwaarde valt. De Rechtbank oordeelt: geen schade en dus geen schadevergoeding.

De Rechtbank: "De deskundige heeft vastgesteld dat de gebruiksoppervlakte wonen in totaal 149m² bedraagt. Dit is 15m² minder dan de 164m² in de verkoopbrochure van [gedaagden] staat vermeld. De deskundige heeft hierover opgemerkt dat “de ene partij”, waarmee hoogstwaarschijnlijk [gedaagden] wordt bedoeld, ten onrechte alle kelders heeft meegenomen bij de berekening van de woonoppervlakte. Uitgaande van de 15m² die de deskundige heeft gerekend aan overige binnenruimte, zou dit een logische verklaring kunnen zijn voor het verschil in oppervlakte. O.b.v. de metingen van de deskundige ... wordt vastgesteld dat de woonoppervlakte van de woning van [eisers] 149m² bedraagt. Dit is een significante afwijking t.o.v. het aantal vierkante meters dat in de brochure van [gedaagden] staat vermeld. Naar het oordeel van de rechtbank staat hiermee vast dat [gedaagden] zijn zorgplicht jegens [eisers] heeft geschonden.

De volgende vraag die beantwoord moet worden, is of [eisers] schade lijdt doordat [gedaagden] een onjuiste gebruiksoppervlakte in haar brochure heeft vermeld. De deskundige heeft de woning per november 2017 getaxeerd op een bedrag van €540.000. Bij deze taxatie heeft de deskundige, register makelaar en taxateur, in haar taxatierapport rekening gehouden met de staat en de ligging van de woning, de gebruiksoppervlakte en de (verkoop)waarde van 3 hiervoor genoemde referentieobjecten, teruggerekend naar de peildatum. De woning is gekocht voor een bedrag van €535.000. Dit bedrag ligt onder de taxatiewaarde. De bandbreedte tussen de koopprijs en de (hogere) taxatiewaarde is volgens de deskundige reŽel. Ook de Taxatheek kwam uit op een marktwaarde van €540.000, uitgaande van in totaal (slechts) 137m². Dit vormt nog een onderbouwing voor de conclusie van de deskundige dat de waarde van de woning niet alleen afhangt van de woonoppervlakte maar dat juist bij de onderhavige woning de unieke ligging met veel privacy voor een groot deel de waarde bepaalt.

Uit het voorgaande volgt dat [gedaagden] weliswaar een onjuiste gebruiksoppervlakte in haar brochure heeft vermeld en aldus onzorgvuldig heeft gehandeld, maar dat [eisers] hierdoor geen schade lijden. De vordering wordt daarom afgewezen."

Rechtspraak, uitspraak ECLI:NL:RBROT:2020:1474

 

Rechter over kennis makelaar

Een koper van een beleggingspand wil de boete vanwege het niet afnemen van een pand verhalen op de hypotheekadviseur. In dit geval was de koper ook makelaar van beroep.

De koper/makelaar stelt dat de hypotheekadviseur had moeten waarschuwen dat de financieringsaanvragen waren afgewezen dan wel dat het niet lukte om deze tijdig rond te krijgen. De hypotheekadviseur was ervan op de hoogte dat het inroepen van het financieringsvoorbehoud goed gedocumenteerd moest geschieden, zodat het op haar weg lag koper tijdig van de nodige documentatie te voorzien. Door dit alles na te laten heeft de hypotheekadviseur volgens koper haar zorgplicht jegens hem veronachtzaamd met als gevolg dat hij door de verkoper van het pand is aangesproken tot betaling van de boete van €24.000. Volgens koper blijkt uit verschillende uitspraken over vergelijkbare kwesties dat de hypotheekadviseur tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen.

De hypotheekadviseur stelt dat koper als makelaar niet gelijkgesteld kan worden met een onwetende consument. Koper doet het volgens de hypotheekadviseur ten onrechte voorkomen dat hij niet op de hoogte was van de financieringsmogelijkheden en dat hij, wanneer hij dat wel was geweest, de koopovereenkomst had kunnen ontbinden. Wanneer de hypotheekadviseur koper ten overvloede op het verstrijken van de termijn voor een beroep op het financieringsvoorbehoud had gewezen, zou dat volgens de hypotheekadviseur er niet toe hebben geleid dat koper daar tijdig een beroep op gedaan zou hebben. Afgezien daarvan heeft volgens de hypotheekadviseur te gelden dat de kantonrechter terecht - vanwege het ontbreken van een causaal verband tussen de gestelde tekortkomingen en de schade - de vraag onbeantwoord heeft gelaten of de hypotheekadviseur voor het verstrijken van die termijn had moeten waarschuwen. De uitspraken waar koper zich in dit verband op beroept, betreffen volgens de hypotheekadviseur geen vergelijkbare situaties zodat daaraan geen argumenten ontleend kunnen worden.

Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat koper jegens de verkoper tot de overdrachtsdatum de ontbinding van de koopovereenkomst wegens het niet verlenen van een woonvergunning door de gemeente had kunnen inroepen en dat het nalaten daarvan voor rekening en risico van koper komt. Dat betekent dat het causaal verband tussen de gestelde tekortkoming, het niet waarschuwen over de financieringsaanvragen, en de schade ontbreekt.

Het hof is overigens van oordeel dat koper onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat m.b.t. het verstrijken van de termijn voor een beroep op het financieringsvoornbehoud op de hypotheekadviseur een zorgplicht zou rusten waaraan zij niet heeft voldaan. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat koper zelf makelaar is en uit dien hoofde bekend verondersteld moet worden met het verschijnsel financieringsvoorbehoud en het belang van het in het oog houden van daarvoor geldende termijnen.

Bron: Rechtspraak.nl

 

Rechter over afketsen verkoop koopwoning

Vanwege het niet afnemen van een woning moest een koper de contractuele boete van €31.750 betalen volgens verkoper. Koper [gedaagde] heeft aangevoerd dat de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend omdat hij voor de koop van de woning een financieel adviseur in de arm heeft genomen. [financieel adviseur] heeft [gedaagde] op onjuiste wijze bijgestaan aangezien hij heeft nagelaten financiering aan te vragen voor de woning. Het niet nakomen van de overeenkomst is dan ook te wijten aan [financieel adviseur], aldus [gedaagde].

De rechtbank overweegt het volgende. Wat er ook zij van de stelling van [gedaagde] dat [financieel adviseur] een fout heeft gemaakt, dat is iets tussen [gedaagde] en [financieel adviseur] en regardeert [eisers] niet. Hij heeft immers geen overeenkomst met [financieel adviseur], maar met [gedaagde] .

Het verweer dat de tekortkoming [gedaagde] niet kan worden toegerekend, kan dan ook niet slagen.

[gedaagde] heeft voorts aangevoerd dat indien de tekortkoming in de nakoming toch kan worden toegerekend, de contractuele boete dient te worden gematigd tot nihil omdat toewijzing van de boete leidt tot een onaanvaardbaar en buitensporig resultaat. [gedaagde] wilde graag nakomen, maar door de slechte bijstand van [financieel adviseur] is dat niet gelukt.

[gedaagde] heeft d.m.v. het inhuren van een 2de financieel adviseur alsnog geprobeerd financiering te regelen, maar dat is niet gelukt. [gedaagde] is ook slachtoffer van het handelen van [financieel adviseur]. Bovendien heeft [eiser] de woning enkele maanden later alsnog verkocht voor €356.000. [eiser] heeft dus €38.500 meer ontvangen voor de woning dan wanneer [gedaagde] de woning zou hebben gekocht. [eiser] heeft dan ook geen schade geleden.

De rechtbank overweegt het volgende. Vooropgesteld wordt dat van matiging van een bedongen boete slechts sprake kan zijn indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist.

Dat brengt met zich dat de rechtbank pas van haar bevoegdheid tot matiging gebruik kan maken indien toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarmee onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zal de rechtbank niet alleen moeten letten op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het beding is ingeroepen.

De omstandigheden op de woningmarkt zijn de afgelopen jaren zeer gunstig voor verkopers. Dat is ook gebleken bij [eiser], hij heeft immers in enkele maanden tijd de woning voor €38.500 meer kunnen verkopen. Daarnaast heeft [eiser] niet betwist dat [gedaagde] zich wel heeft ingespannen om, mede d.m.v. een 2de financieel adviseur, alsnog financiering voor de woning te regelen.

De rechtbank oordeelt dat in het licht van de bovengenoemde omstandigheden, het onaanvaardbaar en buitensporig is om [gedaagde] de volledige contractuele boete te laten betalen.

[eiser] heeft aangegeven dat hij extra kosten heeft moeten maken om de woning alsnog te verkopen. Deze kosten bedragen €15.000 (€4.853 aan advocaatkosten, €2.500 aan bemiddelingskosten, €6.100 aan makelaarskosten en €850 aan hypotheekrente en een maand energiekosten). De hoogte van deze kosten is door [gedaagde] niet betwist.

De rechtbank zal zich bij het bepalen van de hoogte van de contractuele boete dan ook baseren op deze kosten. De vordering tot betaling van de boete zal daarom worden toegewezen tot een bedrag van €15.000.

Bron: Rechtspraak.nl

 

Rechter over hagelcel

Allianz hoeft niet uit te keren voor hagelschade bij een tuinder, vonnist Gerechtshof Den Haag. Eerder veroordeelde de lagere rechter Allianz tot uitkeren van €75.000 omdat volgens de dominant cause-leer de storm als de rechtens relevante oorzaak van de schade moest worden aangemerkt, omdat er op 23-06-2016 windsnelheden van 24 m/s waren en de storm beslissend was voor de omvang en zwaarte van de hagelstenen die de schade aan de daken van de tuinder hebben veroorzaakt.

Het Hof: "Een oorzaak kwalificeert als rechtens relevant als die geldt als de meest effectieve of meest dominerende factor voor het ontstaan van de schade. De rechtens relevante schadeoorzaak wordt mede vastgesteld met inachtneming van de regels van gezond verstand. Tussen partijen staat vast dat er op 23-06-2016 een combinatie van storm, wind(stoten) en hagel heeft plaatsgevonden. Daarbij zijn hagelstenen met extreme afmetingen gevallen, die o.m. de golfplaten op de varkensstallen van [tuinder] hebben geperforeerd. Toepassing van de in het vorige punt omschreven maatstaf leidt tot het oordeel dat de (inslaande) hagelstenen de rechtens relevante oorzaak van de schade zijn. Een gemiddeld persoon met gezond verstand zal in een dergelijk geval immers – mede gezien het schadebeeld – de hagel en niet de storm als schadeoorzaak aanwijzen. Daaraan kan niet afdoen dat de extreme omvang van de hagelstenen heeft kunnen ontstaan door de hevige storm. Een gemiddeld persoon met gezond verstand zal zich immers veelal niet eens realiseren dat luchtbewegingen hoog in de atmosfeer hebben bijdragen aan het vormen en vallen van de hagelstenen. Voor zover [tuinder] menen dat sprake is van stormschade omdat valwinden ervoor hebben gezorgd dat de hagelstenen met ongebruikelijke snelheid tegen de daken van haar gebouwen zijn gewaaid en dat daardoor de schade is ontstaan, miskennen zij dat ook dat juist als hagelschade, en niet als stormschade te kwalificeren valt. Dit betekent dat de schade niet o.g.v. clausule 592 als stormschade is gedekt."

Rechtspraak, uitspraak ECLI:NL:GHDHA:2020:158

 

Rechter over woonlastenbeschermer

Het Gerechtshof Amsterdam verwierp de veronderstelling van appellanten dat hun restschuld nihil zou zijn door de hypotheekbescherming. Het Hof: "De jaarlijks door [appellant] ontvangen polis van <X> en de Verzekeringsvoorwaarden <Y> Hypotheekbescherming lieten er geen misverstand over bestaan dat de verzekering slechts voorzag in een uitkering … bij arbeidsongeschiktheid of werkloosheid. [Appellanten] stellen dat zij steeds hebben gemeend dat de verzekering ... dekking bood tegen een restschuld indien zij onverhoopt niet langer in staat zouden zijn om aan hun financiŽle verplichtingen ... te voldoen. Zij lichten echter niet toe hoe zij in die onjuiste veronderstelling zijn gebracht. Zo is niet gesteld of gebleken dat <Y> hen bij het aangaan van de verzekering onjuist of onvolledig heeft voorgelicht. Ook hebben [appellanten] onvoldoende toegelicht dat <Y> zich bij het aangaan van de verzekering of op een later moment had moeten realiseren dat bij er bij [appellanten] (mogelijk) een onjuiste voorstelling van zaken over de dekking onder de verzekering bestond. Onder deze omstandigheden valt niet in te zien dat een eventuele onjuiste veronderstelling bij [appellanten] over de dekking onder de hypotheekbescherming rechtens bescherming verdient in die zin dat <Y> haar recht op betaling van de restschuld met rente heeft verwerkt of dat <Y> bij [appellanten] het gerechtvaardigd vertrouwen zou hebben gewekt dat zij haar recht niet meer geldend zou maken."

Rechtspraak, uitspraak ECLI:NL:GHAMS:2020:110

 

 


Pensioennieuws

 

Aon: dekkingsgraad

Door o.a. het coronavirus daalden de aandelenkoersen en was er een vlucht naar veilige havens, wat de rente deed dalen. Mede hierdoor daalde de gemiddelde dekkingsgraad van de Nederlandse pensioenfondsen in januari van 103% naar 101%. De beleidsdekkingsgraad (gemiddelde van 12 maanden) daalde van 103% naar 102% (tijdelijke wettelijk minimum: 100%). Grote fondsen als ABP, PMT, PME en Zorg en Welzijn hebben een dekkingsgraad van 90% - 100%. Kortingen zijn een realistisch scenario. Tenzij…

 

Rekenrente ter discussie?

In de pensioenonderhandelingen wordt ook gekeken naar de mogelijkheid om de rekenrente los te laten. In het pensioenakkoord van medio 2019 staat o.a. dat de AOW-leeftijd minder snel stijgt en dat de pensioenen flexibeler worden. Sindsdien zijn er onderhandelingen om het akkoord uit te werken. De Telegraaf meldt dat minister Koolmees (SZW) bereid zou zijn de rekenrente af te schaffen in ruil voor het opgeven van pensioenzekerheden. Het ministerie bevestigt dat bij de uitwerking "technische verkenningen in diverse denkrichtingen" (worden) uitgevoerd. Een van die denkrichtingen is het loslaten van pensioenaanspraken en rekenrente. Als de genoemde 'denkrichting' werkelijkheid wordt, kunnen pensioenen makkelijker stijgen of dalen.

 

Pensioenplan niet verplicht

Het kabinet wil geen verplicht pensioenplan bij scheiding. De regering schrijft, in de Nota n.a.v. het verslag Wet pensioenverdeling bij scheiding 2021 "bekend te zijn met het voorstel van o.a. pensioenuitvoerders om een verplicht pensioenplan op te stellen bij een scheiding. Een verplicht plan zou ervoor moeten zorgen dat mensen bewust afspraken maken over pensioenverdeling. Hoewel de regering het belang deelt van goede (en bewuste) afspraken over pensioenverdeling bij een scheiding, gaat een verplicht pensioenplan te ver. Het ontbreken van een dergelijk plan bij een scheidingsverzoek zou betekenen dat de rechter de zaak aanhoudt totdat er een plan is. Pensioen is weliswaar een belangrijk vermogensbestanddeel bij een scheiding, maar niet dermate belangrijk dat een scheiding zonder afspraken over pensioen niet kan worden uitgesproken. Pensioen is in die zin echt een andere grootheid dan afspraken over de verdeling van zorg- en opvoedingstaken van de kinderen, waarvoor een ouderschapsplan verplicht is bij een scheiding.

Bovendien is het zo dat als mensen (bewust of onbewust) geen afspraken maken, er o.g.v. het wetsvoorstel nu juist een wettelijke verdeelstandaard geldt: er wordt verdeeld, tenzij hier andere afspraken over zijn gemaakt. Een verplicht pensioenplan voegt niets toe aan deze situatie. Een verplicht pensioenplan biedt ook geen oplossing voor de situatie dat mensen vergeten om deze afwijkende afspraken door te geven aan de pensioenuitvoerder, want ook (de afspraken in) het pensioenplan zal aan de pensioenuitvoerder moeten worden opgestuurd. De regering is van mening dat o.a. kennisvergroting bij scheidingsprofessionals, het gebruik van voorbeeld pensioenparagrafen in huwelijkse voorwaarden en scheidingsconvenanten en checklists bij een scheiding betere oplossingsrichtingen zijn om tot goede pensioenverdelingsafspraken te komen. De regering zal bezien op welke manier informatieverstrekking over pensioenverdeling bij scheiding aan scheidende partners vanuit de rijksoverheid kan worden verbeterd, bijv. via een checklist. Scheidingsprofessionals zijn primair verantwoordelijk voor het op orde hebben van hun kennis over pensioenverdeling bij een scheiding en ervoor zorgdragen dat dit aan de orde komt bij de scheidingsbespreking."

De regering deelt de analyse van de AFM dat het verdelen van een lopende pensioenuitkering die volgt uit een premieovereenkomst complex kan zijn. Er zijn dan situaties denkbaar waarbij de verdelingsgerechtigde partner (al dan niet zelf ook al gepensioneerd) geen of een beperkt aantal keuzes kan maken over het geconverteerde eigen pensioen. Dit pensioen is dan wel degelijk omgezet naar een eigen aanspraak, op het eigen leven. Maar productvoorwaarden kunnen het, ook in gevallen voor de verdelingsplichtige partner, onmogelijk maken om (eigen) keuzes te maken over bijv. de ingangsdatum of een vaste of variabele uitkering. Het kabinet: "In die gevallen werkt het wetsvoorstel niet optimaal voor de verdelingsgerechtigde partner. Wel wordt op deze manier geregeld dat iedere verzekeraar dit geconverteerde recht voor de ex-partner onderbrengt. Dit is een oplossing die grotendeels tegemoetkomt aan de uitgangspunten van het wetsvoorstel, maar die ook voor de pensioenuitvoering werkbaar is."

 

Einde verplichte Pensioen 1-2-3 en het UPO

Minister Koolmees (SZW) schrapt de verplichting voor pensioenuitvoerders om de standaardmodellen te gebruiken bij de Pensioen 1-2-3 en het UPO. Dit na de evaluatie van de Wet pensioencommunicatie. De minister: "Het blijft verplicht om jaarlijks een pensioenoverzicht aan te maken, met de huidige verplichte inhoud. De informatie over het ouderdoms-, nabestaanden- en/of arbeidsongeschiktheidspensioen blijft hetzelfde. Ik wil echter wel de pensioenuitvoerders ruimte geven in de manier waarop zij informatie moeten verschaffen. Deelnemers hebben immers aangegeven dat de begrijpelijkheid een aandachtspunt is en dat zij de Pensioen 1-2-3 nauwelijks gebruiken. ... Ik wil dat pensioenuitvoerders effectiever worden in de manier waarop zij deze verplichte informatie aan hun deelnemers geven. Ik vind het daarom niet langer nodig om pensioenuitvoerders wettelijk voor te schrijven de standaardmodellen voor de Pensioen 1-2-3 en het UPO te gebruiken. ... Het UPO-format had met name tot doel de pensioenopbouw bij verschillende pensioenuitvoerders op uniforme wijze te presenteren en optelbaar te maken. Maar inmiddels voorziet mijnpensioenoverzicht.nl daarin. ... Het format voor de Pensioen 1-2-3 had tot doel deelnemers in staat te stellen pensioenregelingen te kunnen vergelijken voordat deze deelnemer werd. Het kunnen vergelijken van pensioenregelingen is al moeilijk als de Pensioen 1-2-3 op het besloten deel van de website staat. Gebleken is dat de bekendheid van de Pensioen 1-2-3 laag is. De verplichte uniformiteit voorkomt dat pensioenuitvoerder de vormgeving en begrijpelijkheid van deze basisinformatie bij aanvang van de deelneming aan de pensioenregeling optimaal afstemt op de behoefte en kenmerken per doelgroep. Het format‘Pensioen 1-2-3 heeft daardoor nauwelijks toegevoegde waarde en wil ik daarom als zodanig afschaffen."

Koolmees gaat verder onderzoeken in welke gevallen het verantwoord en mogelijk is om de verplichting om informatie schriftelijk of als PDF te verstrekken te vervangen door de verplichting om informatie ter beschikking te stellen. De minister wil ook bezien of informatie vaker digitaal verstrekt kan worden i.p.v. zoals nu soms voorgeschreven op papier.

En: "Ik vind het belangrijk uit te werken hoe pensioenuitvoerders, eventueel i.s.m. ketenpartners of andere partijen, meer gaan inzetten op het activeren van deelnemers. Ik denk daarbij … aan het wettelijk verplichten tot het noemen van een concrete actie, bijv.: ga na of uw later voldoende pensioen hebt. Het gaat er dan om dat de deelnemer weet wat deze concreet kan doen."

De minister wil ook dat het pensioenregister wordt doorontwikkeld. "Ik vind het bijv. jammer dat nog steeds derdepijlerproducten ontbreken in mijnpensioenoverzicht.nl."

 

Ontwerpwijziging Besluit Wfsv

Er ligt een ontwerpbesluit vanwege een wijziging van het Besluit Wfsv i.v.m. een technische wijziging van de premievaststelling voor de vrijwillige AOW-verzekering en de vrijwillige Anv-verzekering a.g.v. de wijziging van de Wet-IB 2001 en art. 8 van de Wfsv in het Belastingplan 2020.

Omdat het niet meer mogelijk was om de wijziging voor 01-01-2020 in werking te laten treden is de SVB verzocht te anticiperen op het betreffende ontwerpbesluit dat zal terugwerken tot 01-01-2020.

De wijziging ziet op art. 3.3, 1ste en 2de lid, van het Besluit Wfsv waarin de formule voor de vaststelling van de premie voor respectievelijk de vrijwillige AOW- en Anv-verzekering wordt gegeven. Daarbij wordt uitgegaan van het hoogste premie-inkomen in de zin van art. 8 van de Wfsv. Het maximale premie-inkomen wordt o.g.v. art. 8, 3de lid, Wfsv vastgesteld o.b.v. de tarieftabellen van artikelen 2.10, 1ste lid, en 2.10a, 1ste lid, van de Wet-IB 2001. Door het 2-schijvenstelsel veranderen de tarieftabellen in de Wet-IB 2001 en wordt niet meer correct verwezen.

Svb, Info over vrijwillige verzekering aanvragen

 

 


Zorg- & aov-nieuws

 

Overstappers zorgverzekering

Het definitieve overstappercentage is 6,5, aldus Vektis: 1,1 mln verzekerden zijn per 01-01-2020 van zorgverzekeraar veranderd. Het percentage overstappers vorig jaar was 7,0. Het gaat hier alleen om de overstappers van zorgverzekeraars (risicodragers), niet van labels.

Mondzorg kinderen

Zorgverzekeraars sturen een brief aan polishouders van wie de kinderen niet naar de tandarts gaan om de ouders erop te wijzen dat mondzorg bij minderjarigen kosteloos is. Zo moeten gebitsproblemen en hoge kosten op latere leeftijd voorkomen worden. Ruim 850.000 kinderen tussen 4 en 18 jaar (11,5%) zijn in 2017 en 2018 niet naar de tandarts geweest, aldus Vektis o.b.v. declaratiedata. Veel ouders denken dat ze voor tandartsbezoek moeten betalen, terwijl deze zorg uit het basispakket wordt vergoed.

De Autoriteit Persoonsgegevens gaf zorgverzekeraars toestemming om o.b.v. declaratiegegevens gericht te informeren.

 

Akkoord verplichte aov zzp'ers

De sociale partners zijn akkoord over de verplichte AOV voor zzp’ers, zo meldt het FD. De uitkering wordt maximaal €1.650 bruto p.m. De premie wordt inkomensafhankelijk en maximaal €200 bruto p.m. Alle zzp’ers worden tot aan de AOW-leeftijd verplicht verzekerd. Kleine zelfstandigen die al een aov hebben, of die zich liever zelf verzekeren, kunnen een vrijstelling krijgen mits hun verzekering ten minste gelijkwaardig is aan de verplichte AOV.

Minister Koolmees (SZW) wil voor de zomer een kabinetsvoorstel naar de Tweede Kamer sturen. De verzekering gaat rond 2024 in.

 

Special item AOV

MoneyView onderzocht voor de ProductRating Voorwaarden 35 AOV’s en voor de ProductRating Prijs 17 AOV’s met een uitgebreide dekking en uitkeringsduur tot de gekozen eindleeftijd. De ProductRating Prijs is toegekend aan producten met de hoogste gemiddelde marktpositie waarbij de marktpositie wordt bepaald door vast te stellen welke tariefsoort en kortingssoort per profiel de laagste premie oplevert.

- 5 sterren ProductRating Prijs: Allianz Absoluut AOV / Essentie AOV, TAF GoedGezekerd AOV

- 5 sterren ProductRating Voorwaarden: De Amersfoortse Flexibele AOV, Movir Soepel&Zeker AOV, Univť RisicoVerminderaar Vast Inkomen ongeval en ziekte

MoneyView, Special item, nr. 115, februari 2020, AOV

 

Toename WIA

Reactie minister Koolmees op Kamervragen over de toename WIA en toename instroom ao-uitkeringen.

I.h.k.v. het pensioenakkoord hebben kabinet en sociale partners afspraken gemaakt die ervoor moeten zorgen dat werkenden gezond en werkend hun pensioen bereiken. Daarbij is afgesproken dat werkgevers en werknemers meer ruimte krijgen voor maatwerk door tijdelijke versoepeling van de regeling voor vervroegd uittreden. Werkgevers krijgen de mogelijkheid om in sectoren en ondernemingen uittredingsregelingen te financieren waarmee werknemers de mogelijkheid krijgen om 3e jaar voor de AOW-leeftijd te stoppen met werken. Het kabinet faciliteert deze regelingen door vanaf 2021 voor een periode van 5 jaar de pseudo-eindheffing op regelingen voor vervroegde uittreding (RVU-heffing) generiek te versoepelen als de vervroegde uittreding binnen de laatste 3 jaar voor AOW-leeftijd plaats vindt.

V: Is het juist dat “voor 2019 een recordaantal van 44.600 nieuwe WIA-uitkeringen wordt bereikt”?

A: Het klopt dat de recente schattingen aangeven dat de instroom in de WIA in 2019 ca. 44.600 bedraagt. De definitieve ... cijfers ... voor 2019 zijn ... nog niet bekend. Deze informatie wordt medio april 2020 verwacht ...

Er is een toename van de instroom in de WIA zichtbaar. Er zijn 2 redenen voor deze stijging.

1) een toename van het aantal WIA-verzekerden in het algemeen a.g.v. het aantrekken van de economie in de afgelopen jaren en in het bijzonder voor de groep werknemers van 60 jaar en ouder. Deze toename werkt met een vertraging van 2 jaar door in de instroom in de WIA.

2) de verhoging van de pensioenleeftijd van 66 jaar in 2018 naar 66 jaar en 4 maanden in 2019. Hierdoor neemt vooral de WIA-instroom van mensen in de leeftijdscategorie 60-plus toe. De helft van de toename zit bij deze leeftijdscategorie. Door deze ontwikkelingen is de instroomkans in de WIA de afgelopen jaren toegenomen. Ondanks deze toename is het overgrote deel van de werknemers in staat om werkend de pensioengerechtigde leeftijd te halen.

V: Wat onderneemt u tegen het tekort aan verzekeringsartsen?

A: Er zijn en blijven te weinig verzekeringsartsen om al het werk aan te kunnen. De komende tijd ga ik daarom breed het gesprek aan over wat er nodig en mogelijk is om de toekomst van het sociaal-medisch beoordelen veilig te stellen.

Dit houdt in dat voorheen het vooral de gezonde werknemers waren die langer doorwerkten en dat de wat ongezondere werknemers vaker eerder stopten met werken (bijv. met VUT of prepensioen gingen) en niet in de WIA terechtkwamen. Hierdoor zag je in het verleden een piek van de WIA-instroomkans op 61-jarige leeftijd, terwijl die van latere leeftijden juist beduidend lager was. Doordat mensen langer doorwerken en de generieke mogelijkheden tot vervroegd uittreden niet meer bestaan, neemt het beroep op ao-uitkeringen op latere leeftijden toe.

Kamerstuk Beantwoording Kamervragen over stijgende instroom ao-uitkeringen, 4 p.

 

Consultatie wetsvoorstel Aof

Er is een internetconsultatie van een wetsvoorstel dat de gedifferentieerde premie voor het Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof) naar grootte van de werkgever regelt. De Aof-premie voor kleine werkgevers daalt met ca. 1%-punt; voor (middel)grote werkgevers stijgt de Aof-premie met 0,1%-punt.

Het kabinet wil kleine werkgevers tegemoetkomen voor de kosten van loondoorbetaling en re-integratie. Hierdoor kunnen kleine werkgevers zich verzekeren via bijv. de MKB-verzuim-ontzorgverzekering, die het financiŽle risico van loondoorbetaling bij ziekte afdekt en de kleine werkgever helpt bij de verplichtingen en taken rondom loondoorbetaling bij ziekte (ontzorgen).

Met het wetsvoorstel wordt de Aof-premie gedifferentieerd naar een lagere premie voor kleine werkgevers en een hogere premie voor (middel)grote werkgevers. Nu nog betalen alle werkgevers een gelijke Aof-basispremie.

De grens tussen kleine en overige werkgevers, vastgelegd in het Besluit Wfsv, leidt tot 2 categorieŽn:

1. Kleine werkgevers: loonsom t/m 25 x het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer per jaar;

2. Middelgrote en grote werkgevers: loonsom vanaf 25 x het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer per jaar.

De indeling naar grootte van de werkgever voor een premiejaar wordt gemaakt o.b.v. het totaal van het premieplichtige loon van de werkgever 2 jaar eerder. Voor de kleine en (middel)grote werkgevers stelt de minister de Aof-premie vast. Het verschil tussen de hoge en lage premie mag maximaal 2%-punt zijn. De consultatie sluit 20-03-2020.

SZW, Wetsvoorstel Aof

 

 


Schadenieuws

 

Verzekering zonnepanelen

Reactie minister Wiebes op Kamervragen over verzekeringen van zonnepanelen en het bericht “Aanleg van zonnedaken stokt door stijgende verzekeringspremies”.

A: De verzekeringspremies maken een klein onderdeel uit van de kostprijs van hernieuwbare energie. Ik acht het niet aannemelijk dat de uitrol van duurzame energie door stijgende verzekeringspremies sterk zal achterblijven. Ik vind het wel wenselijk dat de verzekeringspremies in verhouding tot de risico’s en de schadelast staan.

Op dit moment voorzie ik geen grotere rol voor de overheid bij het overleg tussen markt en verzekeraars en andere betrokkenen aangezien het overleg constructief verloopt.

V: Is het waar dat er meer brandschade ontstaat a.g.v. het verkeerd aanleggen van zonnepanelen?

A: Het klopt dat het verkeerd aanleggen van zonnepanelen kan leiden tot brand.

Op gebouwniveau stelt het Bouwbesluit eisen aan de elektrische voorziening van gebouwen, die ook gelden voor de installatie van zonnepanelen. De installatienorm NEN 1010 is hierbij van toepassing. Verder bevat het Bouwbesluit een algemene eis dat het gebruik van installaties (zoals zonnepanelen) geen brandgevaar mogen veroorzaken. Hieraan dient altijd voldaan te worden. Het is primair aan bouwers, installateurs en/of eigenarengebruikers van gebouwen om er voor te zorgen dat hier ook in de praktijk aan wordt voldaan. Het toezicht hierop ligt bij gemeenten.

 

Brand-, storm- en waterschade

De Stichting Salvage hielp in 2019 ruim 16.000 gedupeerden na brand-, storm- of waterschade. Dat is gelijk aan het aantal in 2018. In 2019 waren er 118 weergerelateerde meldingen ('stormjaar'2018: 182).

Salvage werkt namens de (brand)verzekeraars en komt alleen in actie na een oproep van de brandweer. Nederland telt 25 veiligheidsregio’s met elk een eigen meldkamer.

Salvage ziet geen opvallende of zorgwekkende ontwikkelingen. Wel veroorzaken accu's en batterijen - bij het opladen - vaker een brand. In 2019 ontving Salvage bijna 5.300 meldingen (2018: 5.600), waarvan 4.500 na brand/bliksem of explosie, 690 na waterschade en 83 na storm.

 

Inboedel zonder mobiele elektronica

NN schrapt per 01-04-2020 mobiele elektronica uit de inboedelverzekering: "Schade door vallen en stoten viel al niet meer onder deze dekking … De Mobiele Elektronicaverzekering biedt ... nu wel weer een dekking bij schade aan mobiele elektronica voor vallen en stoten naast diefstal en waterschade. Uw klant sluit hiervoor zelf … een losse Mobiele Elektronicaverzekering naast de bestaande Inboedelverzekering."

NN stelt dat de verandering "mede is voortgekomen vanuit de wensen van de adviseurs. Zij hebben behoefte aan een meer modulaire opbouw van (o.a.) onze inboedelverzekering. En daarnaast wil NN haar inboedelverzekering betaalbaar houden.

Wat NN ... ziet is dat: consumenten steeds meer mobiele elektronica bezitten, de elektronica steeds geavanceerder en dus duurder is, er steeds meer soorten mobiele elektronica beschikbaar is, de apparaten ook steeds meer wearable en geschikt en/of bestemd zijn om overal mee naar toe te nemen, consumenten op steeds jongere leeftijd beschikking hebben over mobiele elektronica."

Overigens is ook schade door huisdieren per 01-04-2020 niet meer gedekt op de inboedelverzekering bij NN. Schade aan brillen en contactlenzen wordt vergoed tot maximaal €500.

 

 

 
 
Redactie

De FTP Kennisbrief is samengesteld door de redactie van FTP Communicatie.

t. 0252) 68 31 00 - - e. info@ftpcommunicatie.nl - - i. www.ftpcommunicatie.nl

 

Website FTP Communicatie | Website FTP Nieuws | Contact | Afmelden